Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY9212
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Is de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende? De toelichting ter zitting is te laat, bovendien levert de nieuwe berekening een hogere mate van arbeidsongeschiktheid op.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5664 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 september 2004, 03/2185 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Voorts heeft het Uwv een rapport van 22 februari 2005 ingezonden van de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. drs. P.M. Klootwijk.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak is weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 17 september 2003 het besluit van 10 april 2003 heeft gehandhaafd, waarbij de aan appellante eerder ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% verleende uitkering, met ingang van 24 maart 2003 is ingetrokken. Op grond van de bij het Uwv voorhanden medische en arbeidskundige gegevens is appellante bij dit besluit weliswaar nog steeds ongeschikt geacht voor de door haar laatstelijk voor haar uitval verrichte werkzaamheden van bejaardenverzorgende, maar zij wordt wel in staat geacht met inachtneming van haar medische beperkingen werkzaamheden te verrichten waarmee zij een zodanig inkomen kan verwerven dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van minder dan 15%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het Uwv terecht bij het bestreden besluit de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ten tijde hier in geding heeft gewaardeerd op minder dan 15% en heeft vervolgens het (inleidend) beroep ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat hij het Uwv heeft verzocht aan te geven of zijn uitspraken van 9 november 2004 (o.a. LJN AR4716) aanleiding geven om een nadere aanvulling en/of motivering op het bestreden besluit in te sturen. Hierop heeft het Uwv gereageerd middels inzending van het in rubriek I genoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Wijngaards. Deze heeft, onder verwijzing naar de eerder omtrent appellante uitgebrachte arbeidskundige rapporten en na overleg met de bezwaarverzekeringsarts P. van Muyen, zich geschaard achter het door de bezwaararbeidsdeskundige J.R. Henninger bij rapport van 16 augustus 2004 ingenomen standpunt dat, uitgezonderd de reservefunctie samensteller metaalwaren, alle overige (vier) geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn te achten.
Mede gelet op het verhandelde ter zitting kan de Raad dit standpunt niet volgen. In zijn rapport heeft de bezwaararbeidsdeskundige Wijngaards opgemerkt dat in de geschikt geachte functie van productiemedewerker textiel een overschrijding van de belastbaarheid van appellante plaatsvindt, omdat 90 keer per uur 45 graden gebogen moet worden, terwijl een belasting tot 60 keer per uur door de verzekeringsarts is toegestaan. De bezwaarverzekeringsarts Van Muyen heeft, naar aan het rapport valt te ontlenen, die overschrijding niet bezwaarlijk geacht, omdat appellante gebruik zou kunnen maken van een hulpmiddel dan wel gehurkt zou kunnen werken in plaats van gebogen. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv desgevraagd verklaard deze motivering onjuist te achten. Het gaat immers om zittend werk van de naaimachine, waarbij het gebruik van het bedoelde hulpmiddel niet zinvol en hurken niet aan de orde is. In plaats daarvan is, na overleg met de arbeidskundige die deze functie heeft geanalyseerd, gesteld dat de overschrijding in het aantal keren buigen alleen voorkomt bij slechtzienden en bij diegenen die geen althans onvoldoende ervaring hebben met de werkzaamheden in deze functie, zodat deze voor appellante geschikt is te achten.

De Raad acht deze eerst ter zitting zonder verdere onderbouwing gegeven toelichting niet aanvaardbaar, te minder nu deze er op wijst dat de functie voor appellante niet geschikt is. Zij kan immers niet op voor deze functie relevante ervaring wijzen en zal dus, zeker in de periode dat zij nog onvoldoende ervaring heeft, met een voor haar niet toegestane overschrijding van haar belastbaarheid op het aspect buigen worden geconfronteerd. Deze functie kan gelet hierop niet bijdragen aan de onderwerpelijke arbeidsongeschiktheidschatting.

Naar ter zitting van de zijde van het Uwv is erkend, levert een berekening op basis van de resterende drie wel geschikt geachte functies een mate van arbeidsongeschiktheid op van 35 tot 45%. Bij het bestreden besluit is evenwel ervan uitgegaan dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ten tijde in geding minder dan 15% bedroeg. Dit besluit alsmede de aangevallen uitspraak komen derhalve wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

De Raad merkt ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit overigens nog op deze niet zonder meer als juist te kunnen aanvaarden. Tijdens de gedingvoering in eerste aanleg is bekend geworden dat appellante (mede) lijdende is aan de ziekte Coeliakie. Daaromtrent heeft de bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo-Nadels in haar rapport van 10 november 2003 opgemerkt dat deze ziekte een deel van de klachten en ziekteverschijnselen kan verklaren waar appellante al zo lang mee te maken heeft, maar geen grond geeft om de belastbaarheid van appellante anders te beoordelen, omdat de redenen voor de door de verzekeringsarts bij rapport van 11 november 2002 aangenomen beperkingen dezelfde blijven. Dit standpunt valt evenwel niet te rijmen met het gestelde in laatstgenoemd rapport dat de forse klachten van appellante niet op basis van de (in 1999) gevonden lichte degeneratieve afwijkingen vallen te verklaren en dat gezien de discrepantie tussen de objectieve bevindingen en deze klachten, de door appellante aangegeven forse beperkingen door de verzekeringsarts wat minder beperkend zijn beoordeeld.
Bij het nieuw te nemen besluit op het bezwaar van appellante dient het Uwv nader te bezien of dit aanleiding vormt de voor appellante ten tijde in geding geldende belastbaarheid te wijzigen.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling ten laste van het Uwv.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 september 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x