Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY9271
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Heeft de rechtbank terecht de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3619 WAO en 04/3620 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 juni 2004, nrs. 01/1792 en 02/679 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

I.E.M. de Rooij, wonende te Purmerend (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 26 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E. Hoek, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 16 februari 2006 op dit verweerschrift gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 juli 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Vaessen, advocaat te Utrecht.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk Instituut sociale verzekeringen (Lisv).

Voor zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Betrokkene, werkzaam als schadecorrespondente bij een verzekeringsmaatschappij, is uitgevallen met klachten aan haar linker elleboog. Met ingang van 12 juli 1999 is haar een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In het kader van de eerstejaars herbeoordeling is betrokkene door de verzekeringsarts J.D. van de Nieuwegiessen onderzocht. In zijn rapportage van 6 maart 2000 heeft hij geconstateerd dat betrokkene lijdt aan vage klachten van de armen en de nek, ook wel geduid als RSI. Hij achtte een redelijke eindtoestand aanwezig en verwachtte op korte termijn geen aanzienlijke verandering in de belastbaarheid. Aan de hand van het door Van de Nieuwegiessen opgestelde belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige R. van Bakel met behulp van het Functie Informatiesysteem een aantal functies geselecteerd en is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35-45%.
Bij besluit van 13 juli 2000 heeft appellant met ingang van 12 september 2000 de WAO-uitkering van betrokkene herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 30 januari 2001 en 9 november 2001 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat haar arbeidsongeschiktheid ongewijzigd dient te worden vastgesteld en dat er geen redenen zijn de uitkering te wijzigen. Tegen deze besluiten heeft betrokkene afzonderlijk bezwaar gemaakt.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek, blijkens haar rapportage van 28 maart 2001, geconcludeerd dat het oordeel van de primaire verzekeringsarts op twee punten gewijzigd dient te worden. Het gebruik van de nek achtte Koek beperkt ten aanzien van het geheel naar links kijken en voortdurende hoge werkdruk en met name deadlines achtte de bezwaarverzekeringsarts minder geschikt voor betrokkene. Aan de hand van het aangepaste belastbaarheidspatroon heeft de bezwaararbeidsdeskundige T.L.M. van der Hulst geconcludeerd dat de functie verkooptelefonist minder geschikt is. De overige geduide functies achtte hij wel passend. Uit zijn rapportage van 1 november 2001 blijkt dat het laten vervallen van de functie verkooptelefonist geen invloed heeft gehad op de theoretische restverdiencapaciteit.
De arbeidskundige grondslag van het primaire besluit achtte Van der Hulst juist, de geadviseerde klassenindeling berustte zijns inziens op een typefout/misverstand. Betrokkene diende per 12 september 2000 voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt te worden beschouwd.

Bij het bestreden besluit van 26 november 2001 (hierna: besluit 1) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 13 juli 2000 en 30 januari 2001 ongegrond verklaard en is de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 maanden na de dagtekening van de beslissing op bezwaar verlaagd van 35 tot 45% naar 25 tot 35%.

Bij het bestreden besluit van 28 maart 2002 (hierna: besluit 2) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 9 november 2001 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft in de beroepsprocedure de revalidatiearts dr. R. Dahmen benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Hij heeft op 29 juli 2003 een rapport uitgebracht. Daarin heeft hij overwogen dat de gegevens verkregen uit anamnese, onderzoek en behandelsector consistent zijn en geen aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van pijngedrag of secundaire ziektewinst. Voorts heeft hij belangrijk gewicht toegekend aan de bevindingen van het arbeidsrevalidatiecentrum. Dahmen is tot de conclusie gekomen dat betrokkene uit een aanvankelijk lokaal min of meer specifiek pijnsyndroom, bestaande uit een golferselleboog, een chronisch regionaal aspecifiek pijnsyndroom heeft ontwikkeld met een verminderde belastbaarheid voor de uitvoering van werkzaamheden en beperkingen van de langdurige uitvoeringen van diverse vaardigheden als reiken, bovenhands werken, hand- en vingergebruik, tillen en dragen.
De deskundige heeft aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van betrokkene en meent dat die moet worden bijgesteld. Betrokkene moet in staat geacht worden 3 maal 2 uur verspreid over de week werkzaamheden te verrichten. De geselecteerde functies voldoen volgens de deskundige niet aan het door de verzekeringsgeneeskundige geformuleerde belastbaarheidspatroon.

In haar reactie op het rapport van de deskundige van 11 september 2003 heeft de bezwaarverzekeringsarts Koek gesteld dat de door de deskundige aangenomen ernstige beperkingen niet aansluiten bij de dagelijkse inspanningen en activiteiten van betrokkene. Evenmin heeft hij aangesloten bij de standaard verminderde arbeidsduur. Volgens de bezwaarverzekeringsarts heeft de deskundige te veel het verslag van de arbeidsrevalidatie gevolgd zonder eigen medische argumentatie.
Bij brief van 26 november 2003 oktober heeft de deskundige Dahmen aangegeven bij zijn eerder ingenomen standpunt te blijven.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, de besluiten 1 en 2 vernietigd, appellant opdracht gegeven nieuwe besluiten op bezwaar te nemen en bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven.
De rechtbank heeft met betrekking tot besluit 1 doorslaggevende betekenis toegekend aan het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige revalidatiearts zijn oordeel heeft gebaseerd op een eigen onderzoek van betrokkene en op de in het dossier aanwezige op betrokkene betrekking hebbende stukken. Tevens heeft hij aanvullende medische informatie opgevraagd bij de behandelend sector. De rechtbank zag in hetgeen de bezwaarverzekeringsarts heeft aangevoerd geen aanleiding om van het oordeel van de deskundige af te wijken. De rechtbank achtte de deskundige Dahmen vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van revalidatie meer dan de bezwaarverzekeringsarts in staat de beperkingen van betrokkene op dit terrein in te schatten. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat Dahmen in de brief van 26 november 2003 gemotiveerd is ingegaan op de door de bezwaarverzekeringsarts geplaatste kanttekeningen bij de medische conclusies.
Ten aanzien van besluit 2 oordeelde de rechtbank dat bij dit besluit het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard.

Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de vernietiging van besluit 1. In de vernietiging van besluit 2 heeft appellant berust. Appellant is van mening dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis aan de conclusies van de deskundige heeft gegeven. Naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts Koek is er nog teveel inconsistentie tussen de klachten, onderzoeksbevindingen en dagelijkse activiteiten op de datum in geding. Zij kan zich niet verenigen met het oordeel van de deskundige.

De Raad overweegt als volgt

Tussen partijen is in geschil het oordeel van de rechtbank omtrent besluit 1, voorzover dit ziet op de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op 12 september 2000.
Daarbij spitst het geding zich toe op de vraag of de rechtbank terecht de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige heeft gevolgd.

In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het naar behoren onderbouwde oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.
Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het onderzoek van de deskundige zich heeft gericht op het geven van een oordeel over de belastbaarheid van betrokkene op de datum in geding, 12 september 2000. De deskundige heeft de informatie en bevindingen van de behandelend artsen, met name het revalidatiecentrum, meegewogen, welke in lijn zijn met zijn eigen conclusies. Die conclusies zijn consistent met zijn eerdere bevindingen, terwijl de deskundige ook in zijn latere reactie van 26 november 2003 beredeneerd heeft onderbouwd hoe hij tot de conclusie is gekomen dat betrokkene 3 maal 2 uur verspreid over de week werkzaamheden kan verrichten.
De Raad leidt uit de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 11 september 2003 af dat er tussen de bezwaarverzekeringsarts en de deskundige verschil van mening bestaat over de waardering van de ernst van de beperkingen, de wijze waarop deze kunnen worden vastgesteld en de geëigende behandelmethoden, maar dit verschil van mening doet niet af aan het oordeel dat het onderzoek van de deskundige Dahmen zorgvuldig en volledig is geweest en in het kader van de WAO tot relevante bevindingen heeft geleid.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank beslissende betekenis heeft kunnen toekennen aan het oordeel van de deskundige Dahmen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om opgrond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 12,04 voor vergoeding van reiskosten in hoger beroep, in totaal € 656,04.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 656,04, te betalen door het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 422,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier uitgesproken in het openbaar op 26 september 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x