Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY9610
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om herziening van een eerder genomen besluit. Redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5639 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2004, nr. 03/4058, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 17 augustus 2006 heeft voormelde gemachtigde nog een nader stuk in het geding gebracht

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2006. Voormelde gemachtigde is verschenen. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door R. Zaagsma.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, werkzaam als schoonmaker voor 40 uur per week, heeft zich op 1 mei 1992 ziek gemeld in verband met rugklachten en nadien, in verband met een hem overkomen auto-ongeval, wegens klachten aan beide ellebogen. Per 30 april 1993 is hem bij besluit van 14 april 1993 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 1993 is na onderzoek door de verzekeringsarts Joosten en de arbeidsdeskundige Hassing vastgesteld, dat appellant geschikt is te achten voor arbeid conform de voor hem geldende beperkingen en dat hij met deze arbeid 85% kan verdienen van het zogenoemde maatmanloon. Uiteindelijk is, na een rapportage van de verzekeringsarts Van de Meent, bij besluit van 26 mei 1995 van (de rechtsvoorganger van ) het Uwv aan appellant bericht, dat diens mate van arbeidsongeschiktheid per 21 juli 1995 wordt gesteld op minder dan 15%.

Namens appellant is bij brief van 13 mei 1996 beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank Utrecht heeft het beroep bij uitspraak van 31 juli 1996 ex artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet ontvankelijk verklaard wegens (niet verschoonbare) termijnoverschrijding. De rechtbank Utrecht heeft, na gegrondverklaring van het verzet wat de kennelijkheid betreft, het beroep van appellant bij uitspraak van 25 maart 1997 niet-ontvankelijk verklaard. Namens appellant is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 november 1998, nr. 97/38432, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Appellant is eind maart 2000 opnieuw aan zijn linker schouder geopereerd, ter zake waarvan door hem (kennelijk) om een zogenoemde Wet Amber-beoordeling is gevraagd. Deze heeft er, na medisch onderzoek in mei 2000, uiteindelijk toe geleid dat appellant per 24 april 2000 volledig arbeidsongeschikt is geacht in het kader van de WAO.

Bij brief van 10 december 1998 is namens appellant aan (de rechtsvoorganger van) het Uwv verzocht om terug te komen op de eerder genomen beslissing stellende dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat appellant niet arbeidsgeschikt was en is. Bij brief van 25 maart 1999 heeft de gemachtigde van appellant nog een nader stuk van 1 maart van dat jaar aan het Uwv gezonden. Bij besluit van 17 juni 2002 heeft het Uwv, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb, het verzoek om herziening afgewezen, omdat in het verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.

Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 23 juli 2003 (hierna het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen, dat de voorhanden zijnde medische informatie geen aanleiding geeft om terug te komen op de beslissing uit 1995, waarbij tevens is gewezen op de door de bezwaarverzekeringsarts Hofmans op 19 juni 2003 en door de bezwaararbeidsdeskundige Dollenkamp op 14 juli 2003 uitgebrachte rapporten. De eerstgenoemde concludeert dat appellant onveranderd last heeft van zijn linker schouder en onveranderd ongeschikt is voor arbeid met een zware belasting, maar dat daarmee destijds voldoende rekening is gehouden. De arbeidsdeskundige heeft te kennen gegeven, dat de schatting van destijds haar gelding heeft behouden en zo ook de daaraan verbonden conclusie dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant moet worden gesteld op minder dan 15%.

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder andere gesteld, dat met name de aanhoudende en niet opgehelderde klachten aan de linker schouder er op duiden dat de artsen zich destijds hebben vergist. Tevens heeft appellant opgemerkt, dat het Uwv zeer lang over de besluitvorming heeft gedaan en is in dit verband gewezen op het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank heeft het beroep in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank voorop gesteld, dat het Uwv gebruik heeft gemaakt van de in artikel 4:6, tweede lid van de Awb gegeven bevoegdheid en - kennelijk verwijzend naar de vaste jurisprudentie van de Raad - overwogen dat, ook indien een bestuursorgaan overgaat tot een inhoudelijke heroverweging en vervolgens het oorspronkelijke besluit onder verwijzing naar artikel 4:6 Awb handhaaft, dit niet de weg opent naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb is volgens de rechtbank geen sprake; het feit dat appellant in afwachting was van een nieuwe operatie kan niet als zodanig gelden. Ten aanzien van de grief van appellant met betrekking tot de lange duur van de procedure heeft de rechtbank geconstateerd, dat appellant ter toelichting daarop heeft gesteld dat hij meent bij gegrondverklaring van deze grief recht te hebben op aanhouding van de zaak teneinde de gelegenheid te krijgen om de stukken op te sporen die betrekking hebben op de operatie die hij ten tijde van de beslissing van 26 mei 1995 moest ondergaan. Hoewel de procedure inderdaad lang heeft geduurd bestaat er, volgens de rechtbank, gelet op hetgeen omtrent artikel 4:6 van de Awb is overwogen, geen aanleiding om het geding aan te houden als door appellant verzocht.

In hoger beroep is namens appellant in grote lijnen hetgeen in eerste aanleg was gesteld herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

Ten aanzien van het herzieningsverzoek merkt de Raad op, dat niet met recht van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb kan worden gesproken. Deze nieuwe feiten of omstandigheden dienen betrekking te hebben op datgene wat bij het besluit ten aanzien waarvan herziening wordt gevraagd aan de orde was. In dit geval betreft dit het oordeel van het Uwv, dat appellant zoal niet geschikt voor de eigen arbeid, dan toch in ieder geval per 21 juli 1995 geschikt is te achten voor aan zijn beperkingen aangepaste functies waarmee hij tenminste 85% van het zogenoemde maatmanloon kan verdienen. Dat appellant (na operatie) klachten heeft gehouden en verschillende malen met hem over een eventuele operatie is gesproken, werpt geen nieuw licht op dit oordeel. Het Uwv heeft er dan ook in redelijkheid toe kunnen komen om het verzoek van appellant met toepassing van artikel 4:6 van de Awb af te wijzen.

Met betrekking tot de klacht van appellant over de lange duur van de procedure constateert de Raad allereerst dat deze grief zich richt tegen het aandeel van het bestuursorgaan in de ontstane vertraging. De Raad constateert vervolgens, dat appellant bij de rechtbank als toelichting op deze grief heeft gesteld daarmee met name aanhouding te beogen teneinde de stukken die zijns inziens nog moeten bestaan omtrent een mogelijke operatie medio 1995 boven tafel te krijgen. Hoewel de procedure vanaf het herzieningsverzoek van december 1998 tot het eerste medisch onderzoek in mei 2000 als (onverklaarbaar) lang moet worden aangemerkt en het Uwv ook nadien tot aan het nemen van het primaire besluit niet erg voortvarend is opgetreden, moet voorop worden gesteld, dat appellant op grond van artikel 4:6 Awb gehouden was om bij diens verzoek nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan te geven. Dit is in het geheel niet geschied (behoudens het, als aangegeven, bij brief van 25 maart 1999 opsturen van een brief van het Academisch Ziekenhuis welke slechts een uitnodiging voor het ondergaan van een onderzoek inhoudt). Appellant kan zich er bezwaarlijk over beklagen, dat het Uwv hem, in plaats van hem direct te confronteren met de mededeling dat niet aan de voorwaarden van artikel 4:6 Awb is voldaan, extra tijd heeft gegeven om de naar zijn mening nog bestaande stukken over een op handen zijnde operatie in 1995 boven tafel te halen. Een en ander heeft er bovendien toe geleid dat de operatie van maart 2000 en de nasleep daarvan alsnog in de beschouwing zijn betrokken. Bovendien heeft het Uwv na een eerste onderzoek in mei 2000 de appellant behandelend orthopedisch chirurg dr. Vogelij twee maal om informatie verzocht en, toen deze hier niet op reageerde, aan de gemachtigde van appellant bij brief van 22 november 2002 gevraagd of deze de bedoelde informatie kon verkrijgen. Bij de hoorzitting naar aanleiding van het gemaakte bezwaar eind december 2002 was deze informatie nog steeds niet voorhanden, maar heeft deze gemachtigde uitdrukkelijk verzocht te wachten met het afgeven van een besluit op bezwaar totdat dr. Vogelij zijn mening had gegeven. Uiteindelijk heeft deze arts eerst in maart 2003 gereageerd, waarna de volgende fasen in de procedure niet uitzonderlijk veel tijd in beslag hebben genomen.

Gelet op al het vorenoverwogene kan naar het oordeel van de Raad niet van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM worden gesproken. Daarbij weegt mee, dat het hier niet gaat om een intrekking of het niet toekennen van uitkering, maar om een verzoek op grond van artikel 4:6 van de Awb ten aanzien waarvan geldt, dat zonder het produceren van enig relevant nieuw feitelijk gegeven - zoals hier aan de orde was - de indiener van het verzoek niet of nauwelijks de reŽle verwachting kan hebben, dat in voor hem positieve zin zal worden beslist.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb omtrent vergoeding van proceskosten.




3. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 september 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x