Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY9831
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-10-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Zijn er dringende redenen om af te zien van terugvordering?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4007 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 17 juni 2004, reg.nr. 04/91 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 oktober 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2006. Appellant is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Het Uwv was vertegenwoordigd door E.T. t Jong.




II. OVERWEGINGEN


De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.

In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv met zijn besluit van 18 december 2003 tot terugvordering van een bedrag van 1.927,56 van appellant heeft beslist overeenkomstig een door de rechtbank Zwolle gegeven uitspraak van 23 oktober 2003, zodat het besluit van 18 december 2003 niet voor vernietiging in aanmerking komt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant door geen hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van 23 oktober 2003 een risico genomen dat voor zijn rekening dient te komen.

In hoger beroep heeft appellant zich primair op het standpunt gesteld dat hoger beroep tegen de uitspraak van 23 oktober 2003 niet noodzakelijk was, omdat bij die uitspraak het besluit tot terugvordering was vernietigd.
Naar de mening van appellant kan het besluit dat het Uwv naar aanleiding van de uitspraak van 23 oktober 2003 heeft genomen - het besluit van 18 december 2003 - wederom in volle omvang aan de rechter worden voorgelegd en heeft de rechtbank dit miskend.

De Raad deelt dit standpunt van appellant niet.

De rechtbank is in de uitspraak van 23 oktober 2003, na bespreking van de gronden van appellant, tot het oordeel gekomen dat appellant een bedrag van fl. 6247,80 te veel aan uitkering heeft ontvangen.
Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat - wegens dringende redenen - het Uwv had dienen af te zien van de terugvordering van een bedrag van fl. 2000,--.
Uit de uitspraak volgt zonder enig voorbehoud dat een terugvordering tot een bedrag van fl. 4247,80 ( 1927,56) rechtmatig is.
De gronden van appellant die ertoe strekten de terugvordering op nihil te stellen zijn door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen.
In het geval appellant het met die uitspraak niet eens was had hij gebruik dienen te maken van de mogelijkheid tegen die uitspraak hoger beroep in te stellen. Indien echter zo een uitspraak - zoals in dit geval - door partijen niet is bestreden, is het Uwv gehouden hieraan uitvoering te geven.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat met het besluit van het Uwv van 18 december 2003 een juiste uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 23 oktober 2003 kan de Raad niet tot een ander oordeel komen, dan dat het besluit van 18 december 2003 noch de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

Onder de vorengeschetste omstandigheden kan hetgeen appellant naar voren heeft gebracht met betrekking tot de hoogte van het terug te vorderen bedrag en de aanwezigheid van dringende redenen die aan een terugvordering in de weg staan in deze procedure niet meer aan de orde komen.
De omstandigheid dat de in de uitspraak van de rechtbank van 23 oktober 2003 geschetste handelwijze van het Uwv niet de schoonheidsprijs verdient - het Uwv heeft zowel in beroep als in hoger beroep aangegeven dat door hem fouten zijn gemaakt en de gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting in hoger beroep hiervoor zijn excuses aangeboden - maakt het vorenstaande niet anders.

Het hoger beroep van appellant faalt mitsdien en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.

(get.) J. Brand.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x