Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY9938
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-10-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering en terugvordering van de WAO-uitkering. Zorgvuldigheid van het medisch en arbeidskundig onderzoek.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/4306 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2004, 03/3464 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 oktober 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.M.L.G. de Jong, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor.




II. OVERWEGINGEN


Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het Uwv terecht heeft besloten appellante met ingang van 7 april 2003 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, het aan appellante betaalde voorschot op een WAO-uitkering ad 1.152,12 bruto van haar terug te vorderen en haar met ingang van 7 april 2003 geen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Bij besluit van 13 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv genoemde besluiten gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat noch uit de door appellante overgelegde medische stukken noch overigens is gebleken dat haar medische situatie per 6 april 2003 door de verzekeringsarts onjuist is ingeschat. De verzekeringsarts heeft volgens de rechtbank op 10 juni 2003 kunnen concluderen dat er sprake was van een redelijke eindtoestand. De bezwaarverzekeringsarts heeft het oordeel van de verzekeringsarts bevestigd. De rechtbank ziet ook overigens geen reden om het oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden, nu dit oordeel is gebaseerd op dossierkennis, anamnese, medisch onderzoek en informatie uit de behandelend sector die door appellante is overgelegd. De rechtbank wijst er voorts op dat appellante ook in beroep geen (nieuwe) informatie van medische aard heeft overgelegd die een ander licht werpt op haar gezondheidstoestand per 6 april 2003 en op de mogelijkheden die hieruit voortvloeien voor het verrichten van arbeid.

Ook wat de arbeidskundige kant van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling betreft, heeft de rechtbank geen grond gezien het Uwv niet te volgen in zijn standpunt dat appellante voldoende functies zijn voorgehouden die naar haar krachten en bekwaamheden zijn berekend en waarmee zij niet minder kon verdienen dan met haar eigen vroegere werk. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen de weigering van WAO-uitkering dan ook ongegrond verklaard.

De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep ten aanzien van de weigering van WAO-uitkering heeft aangevoerd geen grond om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens een aanvullende rapportage van 20 oktober 2003 alsnog inlichtingen ontvangen van de gynaecoloog tot wie appellante zich had gewend voor een second opinion. De bevindingen waartoe deze gynaecoloog op basis van de op 17 juli 2003 verrichte diagnostische laparoscopie en van MRI-onderzoek is gekomen, brachten de bezwaarverzekeringsarts niet tot een ander oordeel over de belastbaarheid van appellante op de datum in geding 7 april 2003. Vastgesteld kan worden dat de klachten van appellante, zoals die bestonden ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts en de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts, voortduurden en dat in zoverre van een redelijk stabiele eindtoestand kon worden gesproken. De bevindingen van het second-opiniononderzoek hebben kennelijk geen ander licht geworpen op haar gezondheidstoestand per 7 april 2003. De Raad kan dan ook geen reden zien te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van haar toestand op 7 april 2003 en van de aangenomen belastbaarheid zoals omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst. Daaraan doet niet af dat appellante is blijven zoeken naar verlichting van haar klachten en, zoals ter zitting van de Raad is aangevoerd, daarvoor in oktober 2005 operatief is behandeld. De Raad concludeert dat het bestreden besluit op een toereikende medische grondslag berust en ziet voorts geen grond de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De rechtbank heeft het beroep tegen de weigering van WAO-uitkering per 7 april 2003 dan ook terecht ongegrond verklaard.

Nu daarmee is komen vast te staan dat appellante met ingang van 7 april 2003 geen recht had op een WAO-uitkering, staat tevens vast dat aan haar ten onrechte voorschotten op een WAO-uitkering zijn verstrekt. Gelet op de dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen terzake was het Uwv gehouden die voorschotten van haar terug te vorderen. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat, nu appellante geen dringende redenen heeft aangevoerd die het Uwv zouden nopen van terugvordering af te zien, het beroep tegen die terugvordering ongegrond is.

Ook met betrekking tot de weigering van het Uwv om appellante per 7 april 2003 een ZW-uitkering toe te kennen, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank.
Op 7 april 2003 had appellante reeds gedurende de maximale termijn van 52 weken ziekengeld ingevolge de ZW ontvangen. Zij kon terzake van haar ziekmelding op 7 april 2003 dan ook geen aanspraak meer maken op een ZW-uitkering. Het beroep is ook in zoverre terecht ongegrond verklaard.

Tot slot is de Raad opgevallen dat de aangevallen uitspraak is gedaan en ondertekend door mr. J. Koekebakker, terwijl uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank in deze zaak van 12 juli 2004 blijkt dat mr. E.F.C. Franken de zaak ter zitting heeft behandeld. De Raad acht deze gang van zaken in strijd met een goede procesorde en ziet daarin aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Doende wat de rechtbank behoorde te doen, zal de Raad met toepassing van artikel 24 van de Beroepswet het inleidend beroep ongegrond verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x