Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY9939
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-10-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Juistheid van de medische en arbeidskundige grondslag.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/1736 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2006, 04/2448 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 10 oktober 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K.L. Sett, advocaat te Hilversum, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman en betrokkene is niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Betrokkene is op 14 februari 2001 arbeidsongeschikt geworden als schoonmaker van technische apparatuur wegens schouder- en psychische klachten. Ingaande 13 februari 2002 heeft hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering ingaande 2 september 2003 ingetrokken wegens daling van de mate van arbeidsongeschiktheid tot beneden 15%. Dit besluit berust op een medische beoordeling, waarbij de verzekeringsarts op grond van de klachten van betrokkene de voor hem bestaande beperkingen heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 februari 2003. Met inachtneming van deze FML heeft de arbeidsdeskundige voor betrokkene geschikte functies geselecteerd. De mediane loonwaarde van de drie hoogst verlonende functies heeft, na vergelijking met het inkomen van de maatman, geen verlies aan verdiencapaciteit opgeleverd.

In bezwaar heeft betrokkene de medische grondslag van het besluit van 9 juli 2003 aangevochten met een beroep op de bij hem bestaande psychische klachten, waarvoor de huisarts kalmerende middelen heeft voorgeschreven. Hij heeft verzocht naar deze klachten nader onderzoek te doen. Daarna is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling zorgvuldig is tot stand gekomen en dat de opgestelde beperkingen in overeenstemming zijn met de aanwezige objectiveerbare gegevens. Vervolgens is bij besluit van 26 april 2004 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met opdracht tot het nemen van een nieuw besluit en met bepalingen aangaande de vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe, met een beroep op de uitspraken van deze Raad van 9 november 2004 (USZ 2004, 353), overwogen dat in de FML bij het item “buigen” gekozen is voor de normaalwaarde, doch daaraan in de toelichting is toegevoegd “incidenteel toegestaan”. De rechtbank acht niet goed gemotiveerd waarom ondanks de keuze voor de normaalwaarde een beperking is opgenomen en merkt op dat niet is gebleken dat de arbeidsdeskundige op dit punt overleg heeft gevoerd met de verzekeringsartsen.

Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat in de FML gekozen is voor de toevoeging “incidenteel toegestaan” bij de normaalwaarde van het item “buigen” omdat deze normaalwaarde inhoudt 90 graden buigen met een frequentie van 10 maal per uur, terwijl de verzekeringsarts wel 90 graden buigen toelaatbaar heeft geacht, doch de frequentie te hoog heeft geacht. Het Uwv heeft er daarbij op gewezen dat het systeem niet de keuzemogelijkheid biedt om een afwijkende frequentie aan te geven. Verder heeft het Uwv er op gewezen dat er in geen van de geduide functies sprake is van meer dan 60 graden buigen, zodat er voor de arbeidsdeskundige geen aanleiding was voor overleg met de verzekeringsarts.

Betrokkene heeft, in verweer, deze toelichting weinig duidelijk geacht en verder aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte is voorbijgegaan aan het door de gemachtigde in bezwaar gedane verzoek tot nader onderzoek naar de psychische gesteldheid van betrokkene.

De Raad oordeelt als volgt.

Gelet op de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts kan de Raad zich met de medische grondslag van het bestreden besluit verenigen. Niet gebleken is, met name niet uit enig gegeven afkomstig van de behandelende sector, dat betrokkene meer beperkt zou zijn dan is aangenomen. Ten aanzien van de klacht over gebrek aan onderzoek naar de psychische gesteldheid betreft heeft de bezwaarverzekeringsarts er op gewezen dat de verzekeringsarts in zijn onderzoek bij betrokkene geen evidente psychopathologie had geconstateerd en dat betrokkene niet meer in behandeling was bij een psychiater. Onder deze omstandigheden kan de Raad niet inzien dat betrokkene op het punt van het gedane onderzoek is tekort gedaan.

Ten aanzien van de arbeidskundige component van de schatting oordeelt de Raad dat de rechtbank, gelet op de in de aangevallen uitspraak vermelde uitspraken van de Raad van 9 november 2004 en op hetgeen verder in de uitspraak is overwogen, terecht is gekomen tot een vernietiging van het bestreden besluit wegens een gebrek in de motivering. Wat de rechtbank in dit verband heeft nagelaten is het vragen van een nadere toelichting op het gewraakte onderdeel van de FML. Nu deze toelichting in hoger beroep alsnog is verstrekt en de Raad voldoende overtuigend is voorgekomen, terwijl ook overigens niet is gebleken van gebreken in de arbeidskundige onderbouwing van het besluit, ziet de Raad aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, welke worden vastgesteld op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

De uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x