Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AB3236
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-06-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAZ-uitkering op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid ingaande de datum in geding is afgenomen naar minder dan 25%. Vaststelling van het maatmaninkomen, waarbij is uitgegaan van de fiscale winst over de drie jaren voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/4871 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[A.], gedaagde, wonende te [B.].




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 28 augustus 1998 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 28 juli 1998 ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ingaande die datum was afgenomen naar minder dan 25%.

Bij besluit van 3 december 1998 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 3 augustus 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met de opdracht aan appellant tot het nemen van een nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak en onder aanvullende beslissingen inzake proceskosten en griffierecht.

Appellant heeft bij beroepschrift van 16 september 1999 tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde heeft mr. L.E. de Geer, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Amsterdam, bij schrijven van 24 juni 1999, met bijlagen, van verweer gediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 1 mei 2001, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 3 december 1998 in rechte stand kan houden. Het bezwaar van gedaagde richt zich uitsluitend op de vaststelling door appellant van het maatmaninkomen. Naar het oordeel van gedaagde is appellant daarbij ten onrechte uitgegaan van de fiscale winst over de drie jaren voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid.

De Raad stelt vast dat gedaagde evenvermelde grief ook reeds had aangevoerd in beroep tegen een eerder besluit van appellant, d.d. 23 juli 1996, strekkende tot het toepassen van een korting op gedaagdes uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) met ingang van 30 juli 1996. In het kader van die beroepsprocedure heeft de rechtbank te Breda bij uitspraak van 9 september 1997 als haar oordeel uitgesproken dat het standpunt van appellant inzake het in aanmerking te nemen maatgevende inkomen op onvoldoende onderzoek berust en niet toereikend is gemotiveerd.

De Raad heeft bij uitspraak van 18 april 2000, 97/10478 AAW, dit oordeel van de rechtbank niet gevolgd, en geoordeeld dat de wijze van vaststelling van het maatmaninkomen door appellant juist is te achten. De Raad heeft daarbij, kort weergegeven, overwogen dat in de door gedaagde naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding kan worden gevonden om af te wijken van de hoofdregel om bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige, voor de gevallen waarin dat praktisch mogelijk is, steeds als uitgangspunt te nemen de door de fiscus aanvaarde winst over de drie boekjaren voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in identieke zin beslist als in haar eerdere uitspraak van 9 september 1997. De Raad volstaat daarom verder met een verwijzing naar zijn hiervoor vermelde uitspraak van 18 april 2000, waaraan de Raad volledigheidshalve nog toevoegt dat er geen aanleiding bestaat om in het kader van de WAZ de vaststelling van het maatmaninkomen van een zelfstandige anders te benaderen dan in het kader van de AAW. Uit het in genoemde uitspraak overwogene volgt dat het onderhavige hoger beroep van appellant doel treft en dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2001.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x