Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AD7713
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-11-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Uitgaande van de ten aanzien van betrokkene vastgestelde medische beperkingen moet betrokkene met ingang van de datum in geding in staat worden geacht met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat geen relevant verlies aan verdiencapaciteit resteert.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/2362 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 9 februari 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 augustus 1998, waarbij is geweigerd appellant met ingang van 13 december 1998 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 15 maart 2000 appellants beroep tegen het besluit van 9 februari 1999 ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. J.M. Koster, jurist-fiscaal jurist-verzekeringsdeskundige te Den Helder, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift alsmede een aanvulling daarop ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 oktober 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Koster, en waar gedaagde zich, zoals aangekondigd, niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde terecht en op goede gronden appellant met ingang van 13 december 1998 uitkering krachtens de WAZ heeft geweigerd. Zij heeft daartoe de juistheid onderschreven van het aan het besluit van 9 februari 1999 ten grondslag liggende standpunt dat appellant, uitgaande van de door de verzekeringsarts G.F.A.F. Slooff ten aanzien van hem vastgestelde medische beperkingen, per 13 december 1998 in staat moest worden geacht met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat geen relevant verlies aan verdiencapaciteit resteerde.

In hoger beroep zijn namens appellant uitsluitend bezwaren van arbeidskundige aard naar voren gebracht.

De Raad overweegt het volgende.

Vooropgesteld wordt dat voor de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 2 van de WAZ - kort gezegd - moet worden beoordeeld in hoeverre de verzekerde als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte niet meer in staat is om met algemeen geaccepteerde, voor zijn krachten en bekwaamheden berekende arbeid te verdienen wat hij voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid verdiende.

Appellants meest verstrekkende grief, inhoudende dat met de invoering van de WAZ een geheel eigenstandig, van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ten aanzien van zelfstandigen afwijkend beoordelingsregiem van kracht is geworden, deelt de Raad niet. De Raad tekent hierbij aan dat het arbeidsongeschiktheidsbegrip neergelegd in artikel 2 van de WAZ - behoudens de hier niet relevante bepaling betreffende vroeggehandicapten - overeenkomt met dat van artikel 5 van de AAW en dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 2 van de WAZ niet blijkt dat is beoogd op dit punt dan wel wat betreft de wijze waarop de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld enige wijziging aan te brengen. Naar het oordeel van de Raad is hiermee tevens gegeven dat de rechtspraak over de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van zelfstandigen zoals die naar aanleiding van het per 1 augustus 1993 in werking getreden artikel 5 van de AAW is gevormd, voor de toepassing van artikel 2 van de WAZ evenzeer relevant is te achten.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en onder verwijzing naar zijn uitspraak gepubliceerd in RSV 1997/26 overweegt de Raad voorts dat hij appellant niet kan volgen in zijn opvatting dat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet kon en mocht plaatsvinden op functies in loondienst.

De Raad is voorts evenmin als de rechtbank tot de overtuiging kunnen komen dat de aan appellant voorgehouden loondienstfuncties ten onrechte zijn aangemerkt als algemeen gangbare, voor appellants krachten en bekwaamheden berekende arbeid.

Naar aanleiding van appellants kanttekeningen bij de betrouwbaarheid van het door gedaagde gehanteerde functie-informatiesysteem (FIS) merkt de Raad in de eerste plaats op dat hij geen aanleiding heeft gevonden om af te wijken van zijn uit eerdere rechtspraak, onder meer de uitspraken gepubliceerd in USZ 97/47, USZ 97/227 en USZ 2000/212, blijkende zienswijze dat behoudens gevallen waarin duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel, wordt uitgegaan van de juistheid van de in het FIS vermelde gegevens. Nu appellant heeft volstaan met het te berde brengen van algemene kanttekeningen bij de toepassing van het betrokken systeem, ziet de Raad geen grond om in het onderhavige geval te twijfelen aan de juistheid van de aan het FIS ontleende gegevens voor de aan appellant voorgehouden functies.

Appellants stelling dat de hem voorgehouden functies niet voor zijn krachten en bekwaamheden zijn berekend deelt de Raad evenmin. Voorzover appellant heeft gesteld dat de functies monteur, monteur koffiezetters, telefonist/receptionist en verkooptelefonist niet voldoen aan de door de verzekeringsgeneeskundige G.F.A.F. Slooff vastgestelde belastbaarheid wat betreft zitten, staan en lopen, merkt de Raad op dat de betrokken functies op die aspecten geen overschrijdingen kennen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat het vervullen van die functies in overeenstemming is met appellants fysieke mogelijkheden.

Appellants opvatting dat de functies hem niet hadden mogen worden voorgehouden omdat het gaat om binnen te verrichten werkzaamheden, terwijl appellant steeds als zelfstandig palingvisser buiten arbeid heeft verricht, deelt de Raad evenmin. Het begrip bekwaamheden, waarop dit onderdeel van het beroep van appellant ziet, heeft - zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Raad gepubliceerd in USZ 2000/209 - blijkens de memorie van toelichting bij artikel 5, vijfde lid, van de AAW, waaraan dat begrip is ontleend, immers geen betrekking op bij een verzekerde bestaande affiniteiten, maar op eisen die werkgevers aan een persoon stellen om in aanmerking te komen voor een arbeidsplaats.

Wat betreft appellants stelling dat bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen vaker dezelfde functies terugkomen en dat de kans op het daadwerkelijk verwerven van die functies minimaal is, overweegt de Raad dat het hier gaat om een zogeheten theoretische schatting en dat daarbij geen beslissende betekenis toekomt aan het antwoord op de vraag of de verzekerde erin zal slagen in de voorgehouden functies daadwerkelijk een dienstverband te verwerven.

Appellants bezwaar tegen het bij de functies vermelde opleidingsniveau acht de Raad evenmin overtuigend. Voor de Raad staat voldoende vast dat het scholingsniveau van appellant tenminste op 2 kan worden gesteld. De Raad tekent hierbij aan dat daarvoor, anders dan appellant stelt, niet geldt dat sprake moet zijn van enkele jaren vervolgonderwijs naast een getuigschrift basisschool, maar slechts basisschool en eventueel enkele jaren vervolgonderwijs. De Raad is voorts van oordeel dat, gelet ook op appellants jarenlange ervaring als zelfstandig palingvisser, niet kan worden gezegd dat het functieniveau van de voorgehouden functies te hoog is. Hij merkt hierbij op dat het hoogst vermelde niveau 3 betekent dat in de functie problemen kunnen voorkomen, maar dat die problemen van praktische aard blijven en dat voor de oplossing daarvan naast werkroutine enige inventiviteit is vereist.

Nu uit het voorgaande volgt dat de door gedaagde aan appellant voorgehouden functies bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling konden en mochten worden betrokken, resteert de vraag of het verlies aan verdienvermogen juist is vastgesteld.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Gedaagde heeft het maatmaninkomen van appellant naar het oordeel van de Raad correct berekend. Tegen de achtergrond van de vaste jurisprudentie van de Raad - onder meer de uitspraak van de Raad gepubliceerd in RSV 1993/298 - dat bij de berekening van het maatmaninkomen in beginsel wordt uitgegaan van de fiscale gegevens zoals die er gelet op de door de verzekerde in het kader van zijn bedrijfsvoering gemaakte keuzen uitzien, acht de Raad geen ruimte aanwezig om - zoals appellant wenst - bij de vaststelling van het maatmaninkomen voorbij te gaan aan zijn keuze om met zijn echtgenote een vennootschap onder firma aan te gaan. Anders dan appellant ziet de Raad niet dat door belangrijke betekenis toe te kennen aan de door de zelfstandige zelf gemaakte fiscaal relevante keuzen, strijd met het gelijkheidsbeginsel ontstaat.

Wat betreft de vaststelling van de hoogte van het maatmaninkomen wijst de Raad erop dat daarbij - blijkens vaste rechtspraak - wordt uitgegaan van de netto fiscale winst en dat daarbij de door appellant vermelde fiscale faciliteiten buiten beschouwing blijven. Appellants grief op dit punt onderschrijft de Raad dan ook evenmin.

Naar aanleiding van appellants bezwaren tegen de betekenis die bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid toekomt aan de hoogte van de voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid gerealiseerde winst, merkt de Raad nog op dat die betekenis ligt besloten in het hier aan de orde zijnde arbeidsongeschiktheidsbegrip. Die bezwaren van appellant treffen dan ook geen doel.

Gegeven de juistheid van het door gedaagde vastgestelde maatmaninkomen moet worden vastgesteld dat vergelijking daarvan met het loon van de middelste van de drie hoogstbeloonde functies die aan appellant zijn voorgehouden, laat zien dat per 13 december 1998 voor appellant geen voor de toepassing van de WAZ relevant verlies aan verdienvermogen resteert.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt dan ook als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter, mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2001.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x