Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AE3404
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-04-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene met ingang van de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Stelt betrokkene terecht dat bij het berekenen van zijn maatmaninkomen ten onrechte de investeringsaftrek op het nettobedrijfsresultaat in mindering is gebracht? Uitkomst van de WAZ-schatting. Het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong is in dit geval niet van toepassing.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/1128 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 2 juli 1999 heeft gedaagde geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), op de grond dat appellant op en na 29 september 1995 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

Het door appellant bij brief van 2 augustus 1999 tegen evenvermeld besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 januari 2000 ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. P.J. van 't Hoff, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, bij beroepschrift van 10 februari 2000 beroep ingesteld tegen het besluit van 3 januari 2000 (hierna: het bestreden besluit).

De Rechtbank Breda heeft het beroep bij uitspraak van 29 december 2000, verzonden op 9 januari 2001, ongegrond verklaard.

Mr. van 't Hoff, voornoemd, heeft bij beroepschrift van 13 februari 2001 tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 3 mei 2001.

Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 19 juli 2001 ingezonden.

De Raad heeft bij brief van 3 december 2001 vragen aan gedaagde gesteld, welke door gedaagde zijn beantwoord bij brief van 19 december 2001, voorzien van bijlagen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 29 januari 2002, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant, werkzaam als zelfstandig exploitant van een Chinees restaurant, heeft in februari 1999 door middel van een formulier "Aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering" bij gedaagde melding gemaakt van een naar zijn oordeel sedert 1 oktober 1994 wegens pijnklachten in zijn linker lies bestaande arbeidsongeschiktheid.

Uit het door gedaagdes verzekeringsarts ingestelde onderzoek komt naar voren dat appellants klachten dateren van oktober 1994, en hij voor het eerst in juli 1995 daarvoor is geopereerd. Als diagnose is hernia inguinalis gesteld. De verzekeringsarts heeft geoordeeld dat voor appellant beperkingen gelden ten aanzien van enkele fysiek belastende aspecten als langdurig staan, lopen, zwaar tillen, bukken en buigen.

Vervolgens heeft gedaagdes arbeidsdeskundige geoordeeld dat appellant, uitgaande van de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen, nog in staat is diverse loondienstfuncties te vervullen. Ter berekening van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid heeft de arbeidsdeskundige, voor zover hier van belang, het maatgevende inkomen van appellant vastgesteld aan de hand van de fiscale winstgegevens van het bedrijf over de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, zijnde de jaren 1991, 1992 en 1993. Op jaarbasis leidde dit, gecorrigeerd met de AA-premies, tot een bedrag van f 44.482,91 ( 20.185,46) en per uur, uitgaande van een maatgevende omvang van 70 uur per week en na toepassing van indexering, tot een bedrag van f 13,49 ( 6,12).

De resterende verdiencapaciteit is vastgesteld aan de hand van het uurloon van de middelste van de drie hoogstverlonende voor appellant passend geachte functies, zijnde f 20,17 ( 9,15). De arbeidsdeskundige heeft vervolgens op genoemd uurloon een reductiefactor toegepast van 36/70, leidende tot een mediane loonwaarde van f 10,29
( 4,67) per uur. Genoemde reductiefactor berustte op toepassing van de door gedaagde in het Besluit Uurloonschatting 1999 neergelegde regels, welke - voor zover hier van belang - erin voorzien dat in gevallen waarin de resterende verdiencapaciteit wordt vastgesteld aan de hand van functies met een omvang lager dan de in dat besluit bedoelde bandbreedte, terwijl functies met arbeidsplaatsen binnen de bandbreedte ontbreken, bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening wordt gehouden met deze kleinere urenomvang. Daartoe is een systematiek ontwikkeld waarbij het mediane uurloon zoals dat uit het Functie Informatie Systeem blijkt, wordt gereduceerd met een bepaalde, nader in het Besluit uitgewerkte en in appellants geval op genoemde 36/70 vastgestelde, factor. Vergelijking van de aldus op f 10,29 ( 4,67) berekende resterende verdiencapaciteit met een maatgevend uurloon van f 13,49 ( 6,12) resulteerde volgens de arbeidsdeskundige in een voor de toepassing van de WAZ niet relevant verliespercentage van 23,74.

Op basis van evenvermelde uitgangspunten is bij het primaire besluit van 2 juli 1999, als gehandhaafd bij het bestreden besluit van 3 januari 2000, toekenning van uitkering aan appellant ontzegd.

Van de zijde van appellant is in beroep tegen laatstgenoemd besluit, evenals in bezwaar tegen het primaire besluit, in het bijzonder bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van het maatmaninkomen. Naar het oordeel van appellant is daarbij ten onrechte de op de bedrijfswinst toegepaste investeringsaftrek niet buiten beschouwing gelaten. Daarnaast is als grief naar voren gebracht dat ten onrechte toepassing is gegeven aan het Besluit Uurloonschatting (hierna: het Besluit) en dat een schatting op basis van jaarlonen had moeten worden gehanteerd.

De rechtbank heeft, kort weergegeven, in de eerste plaats vastgesteld dat de juistheid van de in aanmerking genomen medische beperkingen en de geschiktheid van de geselecteerde functies tussen partijen niet in geschil is, in verband waarmee ook de rechtbank uitgaat van de juistheid van die beperkingen en functies. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de wijze waarop het maatgevende inkomen door gedaagde is bepaald in overeenstemming is met de in vaste rechtspraak van de Raad neergelegde hoofdregel dat uitgegaan dient te worden van de naar de fiscus verantwoorde en door deze aanvaarde nettowinst over de drie boekjaren voorafgaande aan het jaar van intreden van de arbeidsongeschiktheid, en dat niet gebleken is van enige bijzondere omstandigheid om van die hoofdregel af te wijken. De hiervoor vermelde grief inzake de investeringsaftrek, treft aldus de rechtbank, daarom geen doel. Ten slotte heeft de rechtbank als haar oordeel uitgesproken dat, nu het Besluit Uurloonschatting op 1 april 1999 in werking is getreden en de aanzegging van de schatting in casu bij brief van 18 juni 1999 heeft plaatsgevonden, gedaagde, gegeven de in het Besluit neergelegde overgangsbepaling, terecht aan het Besluit toepassing heeft gegeven.

In hoger beroep heeft appellant zijn opvatting gehandhaafd dat gedaagde bij het berekenen van zijn maatmaninkomen ten onrechte de investeringsaftrek op het netto bedrijfsresultaat in mindering heeft gebracht. Appellant doet de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, uitgaande van de door hem juist geachte cijfermatige gegevens op jaarbasis, berekenen op ruim 41%, derhalve overeenkomend met indeling in de klasse 35 tot 45%. Daarbij handhaaft hij eveneens zijn stelling dat het Besluit, gegeven de in geding zijnde datum, niet op hem van toepassing is, onder erkenning overigens dat het al dan niet van toepassing zijn van het Besluit op zich genomen niet tot een andere schattingsuitkomst leidt dan de uitkomst als neergelegd in het bestreden besluit.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat hij, in navolging van de rechtbank, uitgaat van de - ook in hoger beroep door appellant niet betwiste - medische beperkingen zoals deze door gedaagde in aanmerking zijn genomen. Tevens staat voor de Raad vast dat appellant, uitgaande van die beperkingen, op de in geding zijnde datum in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden welke zijn verbonden aan de acht functies die gedaagde, blijkens zijn beantwoording d.d. 19 december 2001 van door de Raad gestelde vragen, als grondslag voor de schatting wenst te handhaven. Ten slotte heeft de Raad geen aanleiding - ook hier geldt overigens dat van de zijde van appellant geen betwisting heeft plaatsgevonden - om gedaagdes standpunt voor onjuist te houden, zoals toegelicht in het hiervoor genoemde antwoordschrijven van 19 december 2001, dat appellants medische beperkingen hem niet beletten om ten tijde hier van belang nog werkzaam te zijn in de maatgevende omvang van 70 uur per week.

Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat gedaagdes besluit om appellant wegens het ontbreken op en na 29 september 1995 van relevante arbeidsongeschiktheid in de zin van die WAZ geen uitkering ingevolge die wet toe te kennen, in rechte stand kan houden.

Naar aanleiding van de namens appellant aangevoerde bezwaren, overweegt de Raad daarbij het volgende.

Naar de rechtbank terecht heeft overwogen, is in vaste jurisprudentie van de Raad neergelegd dat bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige in beginsel steeds als uitgangspunt heeft te gelden de aan de fiscus verantwoorde en door deze aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. De Raad constateert dat de vaststelling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid overeenkomstig deze hoofdregel heeft plaatsgevonden, in het bijzonder ook op het punt van de investeringsaftrek die appellant, en zulks aanvaard door de fiscus, ten laste heeft gebracht van de bedrijfswinst. In de rechtspraak is, anders dan appellant meent, geen aanknopingspunt gelegen om deze investeringsaftrek niet ten volle mee te laten tellen voor het bepalen van de nettowinst en daarmee voor het maatgevende inkomen van appellant. De Raad merkt daarbij nog op dat de van de zijde van appellant vermelde rechtspraak betrekking heeft op andere posten en bovendien niet ziet op de vaststelling van het maatmaninkomen, zodat in die rechtspraak geen aanleiding kan worden gevonden voor een ander oordeel. Ten slotte heeft de Raad in aanmerking genomen dat niet is kunnen blijken van een bijzondere omstandigheid welke het in appellants situatie aangewezen doet zijn een uitzondering op vorenomschreven hoofdregel van toepassing te achten.

Niet kan de Raad zich evenwel verenigen met de opvatting van de rechtbank dat gedaagde terecht toepassing heeft gegeven aan het Besluit. De rechtbank heeft daarbij miskend dat het Besluit, blijkens de aanhef daarvan, een uitwerking bevat van de in het Besluit van 24 december 1997, houdende wijziging van het Schattingsbesluit, Stb. 1997, 802, in werking getreden met ingang van 31 december 1997 en het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, Stb. 1997, 801, in werking getreden met ingang van 1 januari 1998, neergelegde methodiek van uurloonschatting. In het geval van appellant gaat het om een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 september 1995, op welke beoordeling genoemde Schattingsbesluiten niet van toepassing zijn. De onderhavige schatting dient te worden verricht met inachtneming van de op laatstvermelde datum geldende regels, welke, voor zover hier van belang, een maandloonschatting voorschrijven.

De Raad concludeert aldus dat het Besluit in appellants geval toepassing mist. Uit meergenoemde antwoordbrief van gedaagde d.d. 19 december 2001 leidt de Raad af dat die conclusie inmiddels ook door gedaagde wordt getrokken. In het bij die brief gevoegde rapport van 12 december 2001 heeft gedaagdes arbeidsdeskundige immers, daarbij ermee rekening houdende dat drie functies zijn komen te vervallen en nog acht functies als grondslag voor de schatting overblijven, een nieuwe berekening van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid gemaakt, waarbij op basis van inkomens per maand een vergelijking is gemaakt tussen het maatgevende inkomen en de resterende verdiencapaciteit.

Deze vergelijking blijkt niet tot een andere schattingsuitkomst te leiden, althans in die zin dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per de datum in geding onverminderd uitkomt op minder dan 25%. De Raad heeft geen aanleiding om deze uitkomst voor onjuist te houden.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, zij het ten dele met wijziging van de gronden waarop deze rust, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x