Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAZ
x
LJN:
x
AE4666
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-05-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: In verband met de winst uit betrokkenes onderneming over 1996 wordt de AAW-uitkering, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, over dat jaar uitbetaald als ware betrokkene 25 tot 35% arbeidsongeschikt. Intrekking van de AAW-uitkering met ingang van 1 januari 1997 en terugvordering over de perioden in geding van onverschuldigd betaalde uitkering. Stelt betrokkene terecht dat de inkomsten uit zijn bedrijf niet geheel zijn verkregen door zijn arbeid, maar grotendeels door het verleasen van zijn melkquotum, het verhuren van aspergevelden en het laten verrichten van werk door loonwerkers?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/6508 WAZ en 00/609 WAZ t/m 00/612 WAZ




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 6 februari 1998 (hierna: het kortingsbesluit) heeft gedaagde appellant meegedeeld dat in verband met de winst uit zijn onderneming over 1996 zijn uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, over dat jaar wordt uitbetaald als ware hij 25 tot 35% arbeidsongeschikt.

Bij besluit van eveneens 6 februari 1998 (hierna: het intrekkingsbesluit) heeft gedaagde de AAW-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 1997 ingetrokken.

Appellant heeft bij brief van 12 februari 1998 tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 maart 1998 (hierna: het terugvorderingsbesluit 1) heeft gedaagde van appellant de ten onrechte door hem ontvangen AAW-uitkering over de periode van 1 januari 1996 tot 1 januari 1998 ten bedrage van f 22.020,83 teruggevorderd.
Bij besluit van 20 maart 1998 (hierna: het terugvorderingsbesluit 2) heeft gedaagde van appellant de door hem teveel ontvangen uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) over de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 januari 1998 ten bedrage van f 1.294,93 netto teruggevorderd.

Appellant heeft bij brief van 6 april 1998 tegen de terugvorderingsbesluiten 1 en 2 bezwaar gemaakt.

Bij afzonderlijke besluiten van 11 februari 1999 (hierna onderscheidenlijk de besluiten 1, 2, 3 en 4) heeft gedaagde de bezwaren tegen respectievelijk het kortingsbesluit, het intrekkingsbesluit en de terugvorderingsbesluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

Bij beroepschriften van 10 en 22 maart 1999 heeft appellant tegen de besluiten 1, 2, 3 en 4 beroep ingesteld.

Bij besluit van 18 augustus 1998 heeft gedaagde appellant naar aanleiding van zijn verzoek van 2 december 1997 niet in aanmerking gebracht voor een verhoging van zijn AAW-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid.

Appellant heeft bij brief van 1 september 1998 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van van 17 maart 1999 (hierna: besluit 5) heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

Appellant heeft bij beroepschrift van 22 maart 1999 tegen besluit 5 beroep ingesteld.

De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 12 november 1999 de beroepen van appellant tegen de besluiten 1 t/m 5 ongegrond verklaard.

Appellant heeft bij beroepschrift van 20 december 1999 tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft bij brief van 28 april 2000 een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 14 januari 2002 desgevraagd - onder overlegging van een bijlage - nadere informatie verstrekt.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 19 maart 2002, waar appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.J. Kraaijeveld, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad zal het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover betreffende de besluiten 1 t/m 4, als eerste en gezamenlijk en, voor zover betreffende besluit 5, daarna afzonderlijk behandelen.



Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover betreffende de besluiten 1 t/m 4

Voor zijn oordeelsvorming met betrekking tot dit onderdeel van het hoger beroep gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was werkzaam als zelfstandig agrariër toen hij op 5 september 1983 uitviel met psychische klachten. Na het doorlopen van de daarvoor geldende wachttijd ontving hij met ingang van 3 september 1984 een AAW-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De rechtsvoorganger van gedaagde heeft appellant bij besluit van 18 december 1996 met toepassing van artikel 33 van de AAW meegedeeld dat hij in verband met winst uit zijn onderneming over 1994 en 1995 ingedeeld blijft in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%, maar dat zijn AAW-uitkering over die jaren wordt vastgesteld als ware hij minder dan 25% arbeidsongeschikt. De arbeidsdeskundige M. Janssen heeft blijkens zijn rapport van 15 december 1997 aan de hand van onder andere de aangifte inkomstenbelasting van appellant over 1996 zijn aandeel in de winst van het agrarisch bedrijf over 1996 berekend op f 55.589,50 en heeft uitgaande van een maatmaninkomen van f 77.741,35 over 1996 het verlies aan verdienvermogen in dat jaar berekend op 28,49%. Een en ander bracht Janssen tot de conclusie dat appellant met toepassing van artikel 33 van de AAW over 1996 ingedeeld diende te worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Hieromtrent is appellant geïnformeerd bij brief van gedaagde van 18 december 1997. Voorts heeft gedaagde appellant bij brief van december 1997 meegedeeld dat de als gevolg van de toepassing van artikel 33 van de AAW teveel ontvangen uitkering over 1996 zal worden teruggevorderd. Vervolgens heeft gedaagde het kortings- en het intrekkingsbesluit, alsmede de terugvorderingsbesluiten 1 en 2 genomen. In het intrekkingsbesluit heeft gedaagde gewezen op de toepassing van artikel 33 van de AAW sedert 1994, op de begrenzing van die toepassing over een aaneengesloten termijn van drie jaren en op de vaststelling na middeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant over de periode van 1 januari 1994 tot 1 januari 1997 op minder dan 25%. In het terugvorderingsbesluit 1 heeft gedaagde in verband met de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet boeten) op 1 augustus 1996 een onderscheid gemaakt in de bevoegdheid tot terugvordering op grond van de AAW over de periode vóór die inwerkingtreding en de verplichting tot terugvordering na die inwerkingtreding en heeft hij, uitgaande van de eerste terugvorderingshandeling vervat in de brief 18 december 1997 (lees: december 1997) de periode van 1 januari 1996 tot 1 augustus 1996 vatbaar geacht voor terugvordering op de grond dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat hij ten onrechte teveel uitkering ontving.

Tegen het kortings- en intrekkingsbesluit heeft appellant in bezwaar aangevoerd dat de inkomsten uit zijn bedrijf niet geheel zijn verkregen door zijn arbeid, maar grotendeels door het verleasen van zijn melkquotum, het verhuren van aspergevelden en het laten verrichten van werk door loonwerkers. Tegen de terugvorderingsbesluiten 1 en 2 heeft appellant geen afzonderlijke onderbouwing van zijn bezwaar bij gedaagde ingebracht.

In besluit 1, dat ziet op het kortingsbesluit, heeft gedaagde overwogen dat appellant op zijn aangifte inkomstenbelasting winst uit onderneming heeft opgevoerd en aldus voor de fiscus nog als ondernemer is aan te merken. Alsdan geldt volgens gedaagde dat de opbrengst van het verleasen van het melkquotum en het verhuren van aspergevelden inkomsten uit arbeid zijn. Ook al waren de werkzaamheden van appellant zelf van beperkte omvang, dan dienen deze, aldus gedaagde, te worden gezien als deel uitmakend van zijn ondernemerschap en bedrijfsvoering en zijn de daarmee verkregen inkomsten inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 33 van de AAW.
Bij de besluiten 2, 3 en 4 heeft gedaagde de bezwaren tegen het intrekkingsbesluit en de terugvorderingsbesluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant zijn in de bezwaarprocedure voorgebrachte gronden herhaald.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ten aanzien van besluit 1 overwogen dat appellant de financiële gegevens die aan de berekening van de theoretische mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag liggen en de berekening van de arbeidsdeskundige niet heeft betwist. Gelet hierop heeft zij het geschil met betrekking tot dit besluit beperkt tot de vraag of gedaagde er terecht geen rekening mee heeft gehouden dat de inkomsten over 1996 niet alleen zijn voortgekomen uit de door appellant en zijn echtgenote verrichte arbeid maar ook uit andere hoofde als door appellant gesteld. Dienaangaande heeft de rechtbank als volgt overwogen:
"Verweerder is bij de vaststelling van eisers verdienvermogen uitgegaan van eisers eigen opgave van inkomsten zoals hij die ook aan de fiscus heeft gepresenteerd. Gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd moet de rechtbank vaststellen dat door eiser (feitelijk) niet wordt bestreden dat hij bedoelde inkomsten gedurende het jaar 1996 heeft genoten. Partijen verschillen wel van mening over de berekening van de korting voor zover door verweerder geen rekening is gehouden met de inkomsten voorzover die zijn voortgekomen uit, zoals eiser stelt, het verleasen van het melkquotum, het verhuren van asperges en werk door derden (loonwerkers).
Op grond van de vaste rechtspraak zoals die zich ontwikkeld heeft, is de rechtbank van oordeel dat aan hetgeen door een verzekerde tegenover de fiscus is verantwoord en door die instantie (kennelijk) is aanvaard (van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken) bijzondere betekenis moet worden toegekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bij het vaststellen van het inkomen uit arbeid van eiser terecht voorbij is gegaan aan voornoemde inkomenbepalende elementen en het inkomen van eiser niet onjuist heeft berekend".

Terzake van besluit 2 heeft de rechtbank in feite herhaald hetgeen gedaagde reeds in het intrekkingsbesluit had gesteld, terwijl zij zulks wat betreft de wettelijke grondslag eveneens, zij het uitvoeriger, heeft gedaan ten aanzien van de daarvoor gegeven argumentatie in het terugvorderingsbesluit 1, dat bij besluit 3 is gehandhaafd. Daaraan heeft de rechtbank toegevoegd dat tegen besluit 3 door appellant geen inhoudelijke argumenten zijn aangevoerd en dat niet is gebleken van een onjuiste toepassing van de wettelijke bepalingen die gelden voor terugvordering. Gelet hierop zag de rechtbank geen reden voor de conclusie dat besluit 3 de rechterlijke toets niet kon doorstaan.

Ten aanzien van besluit 4 heeft de rechtbank verwezen naar hetgeen zij met betrekking tot besluit 3 heeft overwogen.

In hoger beroep heeft appellant geen wezenlijk nieuwe argumenten naar voren gebracht.

De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak terzake van de besluiten 1, 2 , 3 en 4 heeft overwogen en in essentie hiervoor is aangehaald dan wel samengevat is weergegeven en voegt daaraan wat betreft de besluiten 1 en 2 nog het volgende toe.

Wat betreft besluit 1 overweegt de Raad dat de rechtbank, gezien het beroepschrift, niet ten onrechte het geschil heeft beperkt tot de in de aangevallen uitspraak geformuleerde en beoordeelde vraag. De Raad wijst wat betreft deze vraag in het bijzonder ook op zijn uitspraak van 24 december 1999 (RSV 00,41), waarin hij ten aanzien van de beantwoording van de vraag of een zelfstandige in zijn bedrijf arbeid heeft verricht zijn vaste jurisprudentie vooropstelt, welke inhoudt dat daarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen de in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze van betrokkene. De keuze hield in het geval aan de orde in deze uitspraak - evenals in het geval van appellant in 1996 - in dat de betrokkene naar de fiscus toe zijn inkomsten als winst uit onderneming had gepresenteerd. In lijn van zijn vaste jurisprudentie oordeelde de Raad in deze uitspraak vervolgens dat de inkomsten uit verhuur van melkquotum en verkoop van gewassen overeenkomstig de gemaakte fiscale keuze in beginsel als inkomsten uit arbeid dienen te worden beschouwd en achtte hij onvoldoende grond aanwezig om te spreken van zodanige bijzondere omstandigheden dat de fiscale keuze niet tot uitgangspunt kan worden genomen bij de toepassing van artikel 33 van de AAW. Daarbij achtte de Raad van belang dat niet ondubbelzinnig was aangetoond dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met de fiscale keuze, waarbij de Raad er op wees dat het agrarisch bedrijf van betrokkene wat betreft zijn arbeidsinzet in aangepaste vorm is voortgezet. De Raad heeft geen aanleiding gezien in het geval van appellant, dat in dit opzicht gelijkenis vertoont met het in evenbedoelde uitspraak aan de orde zijde geval, anders te oordelen. Naast de uit het vorenstaande blijkende punten van overeenkomst heeft ook appellant zijn agrarisch bedrijf immers in aangepaste vorm voortgezet met een arbeidsinzet van appellant welke zich, afgaande op de gedingstukken, beperkte tot ongeveer 20 tot 25 uur per week.

Met betrekking tot besluit 2, waarbij toepassing is gegeven aan artikel 33, tweede lid, van de AAW, overweegt de Raad nog dat dit artikellid geen onderscheid maakt tussen een volledige en een gedeeltelijke korting in de voorafgaande aaneengesloten termijn van drie jaren en dat de gedingstukken de Raad geen aanleiding geven voor de conclusie dat gedaagde bij besluit 2 het primaire besluit, waarbij na middeling van de inkomsten van appellant over de jaren 1994, 1995 en 1996 zijn mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 25% is gesteld, ten onrechte heeft gehandhaafd.



Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voorzover het betreft besluit 5

Met betrekking tot dit onderdeel van het hoger beroep gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In het kader van de zogenoemde eenmalige herbeoordeling op grond van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen heeft de verzekeringsarts P. Genders appellant blijkens zijn rapport van 17 oktober 1995 in psychisch opzicht onveranderd beperkt belastbaar geacht en wel voor maximaal 4 uur per dag zonder duidelijke combinatie van werken onder tijdsdruk en dwingend werktempo en voorts zonder conflicterende eisen, conflictbelasting en veantwoordelijkheid dan wel afbreukrisico. Een en ander vond vervolgens uitwerking in het handgeschreven FIS-formulier van dezelfde datum. Na ontvangst van informatie van de behandelend zenuwarts B.G. Soons zijn hierin geen wijzigingen aangebracht. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige W.H.M. Zuurveld blijkens zijn rapport van 23 januari 1996 vastgesteld dat voor appellant geen functies op de arbeidsmarkt zijn te duiden. Zuurveld achtte echter met hulp van derden een algemene arbeidsinbreng in eigen tempo van ongeveer 1/3 in het eigen bedrijf nog mogelijk.
Bij brief van 2 december 1997 heeft appellant gedaagde meegedeeld vanaf begin oktober door privé-omstandigheden meer psychische klachten te hebben.
De verzekeringsarts L.T.P. van Rossum heeft appellant op 23 april 1998 onderzocht en heeft op 7 mei 1998 rapport uitgebracht. Appellant informeerde Van Rossum omtrent een verergering in de loop van oktober 1997 in verband met privéproblematiek. Van Rossum beschikte over informatie van Soons, die hem in zijn brief van 1 mei 1998 meldde dat het bedrijf van appellant moeilijk liep, zijn vitaliteit nog aanzienlijk is verminderd en dat zijn prestatievermogen al met al hetzelfde is gebleven, zo niet is afgenomen. Van Rossum concludeerde op basis hiervan en van zijn eigen onderzoek dat in grote lijnen de psychische status van appellant hetzelfde is gebleven, dat niet kan worden gesproken van een duidelijke achteruitgang van zijn belastbaarheid en dat het FIS-formulier van 17 oktober 1995 blijft gehandhaafd. De arbeidsdeskundige J.J. Holthuijsen oordeelde op basis van een en ander in zijn rapport van 1 juli 1998 dat, zoals reeds is gebleken uit een arbeidskundig rapport van 15 december 1997, appellant zijn maatmaninkomen nagenoeg in zijn eigen bedrijf heeft kunnen verdienen en dat er geen twijfel bestaat aan de duurzaamheid. Vervolgens heeft gedaagde het primaire besluit van 18 augustus 1998 genomen. In de bezwaarprocedure hebben de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige de aan het primaire besluit ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling gehandhaafd met de conclusie dat er per oktober 1997 geen gewijzigde arbeidsbelastbaarheid bestaat door dezelfde ziekteoorzaak onderscheidenlijk dat appellant ook in 1997 en 1998 zijn maatgevend inkomen heeft kunnen verdienen, waarna gedaagde besluit 5 heeft genomen.

In beroep heeft appellant gewezen op zijn verminderde belastbaarheid vanwege zware psychische klachten als gevolg van echtscheiding in het najaar van 1997.

In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken van zwaardere beperkingen dan waarmee gedaagde rekening heeft gehouden en dat ook de informatie van Soons de rechtbank er niet heeft kunnen overtuigen dat de beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld, waaraan de rechtbank de conclusie verbond dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

De Raad stelt voorop dat noch in het primaire besluit noch in besluit 5 een precieze datum is genoemd, vanaf welke de gestelde toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant is beoordeeld, zij het dat in besluit 5 wel de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts is aangehaald dat er per oktober 1997 geen gewijzigde arbeidsbelastbaarheid bestaat. Desgevraagd heeft gedaagde in zijn brief van 14 januari 2002 gesteld dat besluit 5 ziet op een toename van klachten vanaf oktober 1997 en dat arbitrair de datum van toename is gesteld op 1 oktober 1997. De Raad heeft, gezien de inhoud van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant zelf en de evenbedoelde conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, geen aanleiding gezien om deze nadere precisering voor onjuist te houden en om aan te nemen dat de beoordeling door gedaagde niet op en vanaf deze datum betrekking heeft.
Voorts is de Raad niet gebleken dat besluit 5 op een onjuiste medische en arbeidskundige grondslag berust. De Raad neemt daarbij in overweging dat op grond van de beschikbare medische informatie in het najaar van 1997 wellicht sprake is geweest van een tijdelijke verslechtering in de gezondheidstoestand van appellant, maar dat zulks niet heeft geleid tot een in het kader van de AAW relevante toename van de eerder vastgestelde beperkingen.

Op grond van al het vorenoverwogene komt de Raad tot de slotsom dat de besluiten 1 t/m 5 in rechte standhouden, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2002.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x