Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AF5755
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-01-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van het maatmaninkomen. Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van het UWV wegens het ontbreken van procesbelang. Het in de Beroepswet geregelde recht van hoger beroep strekt er niet toe om algemene bij appellant levende rechtsvragen beantwoord te krijgen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/6193 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant mede verstaan het Lisv.

Appellant heeft bij besluit van 30 november 1999, hierna: het bestreden besluit, het door gedaagde ingediende bezwaar tegen zijn besluit van 7 juli 1998, waarbij de aan gedaagde toegekende uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) met ingang van 24 augustus 1998 is ingetrokken, gegrond verklaard en gedaagde vanaf 24 augustus 1998 ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht. Tevens heeft appellant bij het bestreden besluit de WAZ-uitkering van gedaagde alsnog met ingang van 3 augustus 1999 ingetrokken.

De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 7 november 2000 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 januari 2003, waar partijen -gedaagde met kennisgeving- niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uiteenzetting van de relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met de navolgende overwegingen.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit ongegrond geoordeeld. Zij heeft daartoe overwogen dat er geen redenen zijn de voor gedaagde vastgestelde medische beperkingen onjuist te achten en dat gedaagde ondanks die beperkingen in staat moet worden geacht in gangbare arbeid een inkomen te verwerven, leidend tot een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 25%. Verder heeft de rechtbank omtrent de vaststelling van het maatmaninkomen van gedaagde het volgende overwogen, waarbij appellant als verweerder en gedaagde als eiser is aangeduid:
"Volgens vaste jurisprudentie is het inkomen van een zelfstandige gelijk aan de door de fiscus geaccepteerde netto winst. De netto winst hoeft echter niet hetzelfde te zijn als het belastbaar inkomen. Zo behoort de investeringsaftrek, zijnde een typisch fiscaal voordeel, naar het oordeel van de rechtbank wel tot de netto winst, waaraan niet afdoet, dat daarover geen belasting wordt geheven. Verweerder heeft dit miskend. De rechtbank hecht eraan dit hier vast te stellen, omdat het maatmanloon wellicht in de toekomst ten aanzien van eiser weer een rol kan spelen. Voor de onderhavige zaak maakt het echter geen verschil of de investeringsaftrek alsnog bij het maatmanloon wordt opgeteld, omdat ook dan het verlies aan verdiencapaciteit onder de 25% blijft."

Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen deze overweging van de rechtbank. Appellant wenst kennelijk in zoverre verbetering van de gronden van de aangevallen uitspraak.

De Raad is van oordeel dat appellant niet in zijn beroep tegen de aangevallen uitspraak kan worden ontvangen en overweegt daartoe, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 mei 2002, gepubliceerd in USZ 2002/248, dat de rechter in het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen is geroepen indien nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Van een geschil over een dergelijk besluit is in casu geen sprake meer nu de rechtbank ondanks de haars inziens onjuiste vaststelling van het maatmaninkomen het bestreden besluit in rechte houdbaar heeft geacht en gedaagde dit oordeel in hoger beroep niet heeft aangevochten.

Voorts merkt de Raad op dat appellant bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde op een latere datum dan de hier in geding zijnde datum niet gebonden is aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de wijze van berekening van het maatmaninkomen. Bij een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op een latere datum kan de daaraan ten grondslag gelegde keuze met betrekking tot het maatmaninkomen blijkens vaste rechtspraak van de Raad immers ook volledig in rechte worden getoetst.

Voor zover appellant het hoger beroep heeft ingesteld met het oog op mogelijke gevolgen in andere zaken met een soortgelijke problematiek kan de Raad daarin, wat daarvan op zichzelf ook zij, niet enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang van appellant bij een beslissing van de Raad ontwaren. Naar s Raads oordeel strekt het in de Beroepswet geregelde recht van hoger beroep er niet toe om algemene bij appellant levende rechtsvragen beantwoord te krijgen.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant, wegens het ontbreken van (voldoende) processueel belang, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van 327,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x