Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AF7496
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Opnihilstelling van de grondslag van de WAZ-uitkering omdat betrokkene in de jaren in geding als zelfstandig bakker geen winst heeft gemaakt, maar uitsluitend verlies heeft geleden. Toepassing van het Inkomensbesluit WAZ.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/942 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft wijlen mr. Ph. van Zinnicq Bergmann, destijds advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 december 2000, nummer AWB 0/559 WAZ Z, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. I.K. Kolev, advocaat te Eindhoven, heeft zich na het overlijden van mr. Van Zinnicq Bergmann bij brief van 6 juni 2002 als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 28 januari 2003, waar partijen - zoals tevoren was bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 30 december 1999 heeft gedaagde met ingang van 3 oktober 1999 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De grondslag van de uitkering is vastgesteld op 0,00 zodat appellant geen uitkering wordt uitbetaald.

Naar aanleiding van een door appellant gemaakt bezwaar heeft gedaagde het bestreden besluit van 1 mei 2000 genomen. Daarin is overwogen dat appellant na een langdurig arbeidsverleden in loondienst in mei 1997 als zelfstandig bakker is begonnen. Begin oktober 1998 overkwam hem een ongeval waardoor hij volledig arbeidsongeschikt werd. Appellant heeft in 1997 en 1998 als zelfstandige geen winst gemaakt maar uitsluitend verlies geleden.
Artikel 9 van het Inkomensbesluit WAZ schrijft voor dat bij een negatieve winst de winst op nihil wordt gesteld. Om die reden is de grondslag voor de toe te kennen uitkering ingevolge de WAZ terecht op nihil gesteld zodat appellants bezwaar ongegrond wordt verklaard.

In de aangevallen uitspraak, waarin appellant "eiser" en gedaagde "verweerder" wordt genoemd, is met betrekking tot het bestreden besluit onder meer het volgende overwogen en geoordeeld:

"Per 1 januari 1998 is de AAW ingetrokken. Met ingang van laatstgenoemde datum is de WAZ inwerking getreden. Aangezien eiser op 4 oktober 1998 arbeidsongeschikt is geworden, zijn op eiser de bepalingen van de WAZ van toepassing.

In artikel 8 van de WAZ is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag. Voor de zelfstandige is de grondslag:
a.hetgeen hij in het boekjaar, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per dag aan winst heeft genoten; of, indien dit leidt tot een hoger bedrag;
b.hetgeen hij in de vijf boekjaren, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per dag aan winst heeft genoten.

In het Inkomensbesluit WAZ zijn nadere regels opgenomen.

Artikel 9 Inkomensbesluit WAZ bepaalt dat indien de totaalsom van de door een verzekerde als zodanig verworven winst en inkomsten tot een negatief bedrag leidt, de winst en de inkomsten op nihil worden gesteld.
In artikel 10 Inkomensbesluit WAZ is bepaald dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) kan afwijken van artikel 8, tweede lid, onderdeel a WAZ of van het Inkomensbesluit, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Alsdan bepaalt het Lisv in plaats van het boekjaar of het kalenderjaar een andere periode van 12 maanden.

In het boekjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van eisers arbeidsongeschiktheid als zelfstandige heeft eiser een negatieve winst van 9.991,- behaald. Verweerder heeft derhalve de winst met inachtneming van artikel 9 Inkomensbesluit WAZ de winst op nihil gesteld.

Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit voorts op het standpunt gesteld dat in eisers geval toepassing van artikel 10 Inkomensbesluit WAZ geen enkel nut zou hebben, aangezien eiser zowel in 1997 als in 1998 een negatieve winst heeft behaald.

Naar het oordeel van eiser heeft verweerder ten onrechte niet overwogen dat eiser wordt geacht te voldoen aan de inkomenseis. In het refertejaar heeft eiser veel meer dan 40 uur per week arbeid verricht. In de voormalige AAW was een regeling voor zelfstandigen opgenomen betreffende fictief inkomen en eiser stelt zich op het standpunt dat deze gedachtegang ook onder de WAZ gehanteerd dient te worden.

Zoals verweerder terecht in zijn bestreden besluit heeft aangegeven moet uit artikel 8 van de WAZ worden opgemaakt dat de wetgever - in tegenstelling tot de AAW- uitdrukkelijk heeft gekozen voor het beginsel van feitelijke inkomensderving. (...).

Eiser heeft zowel in het jaar 1997 als 1998 een negatieve winst behaald. Op grond van de in voornoemde jaren behaalde negatieve winst, heeft verweerder derhalve terecht met inachtneming van artikel 8 WAZ in samenhang bezien met het Inkomensbesluit WAZ, de grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op nihil gesteld."

De Raad moet in dit geding de vraag beantwoorden of appellant terecht de grondslag van de toegekende uitkering ingevolge de WAZ op nihil heeft bepaald.

De Raad beantwoordt die vraag evenals de rechtbank bevestigend. De Raad neemt de hierboven weergegeven gronden van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in zijn brief van 4 januari 2003 aan de Raad heeft aangevoerd overweegt de Raad dat hetgeen appellant daarin heeft medegedeeld over het terugkrijgen van zijn oude rechten ingevolge de Werkloosheidswet geheel losstaat van de vraag hoe de grondslag van een uitkering ingevolge de WAZ moet worden berekend.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x