Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AF7509
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verlaging van de WAZ-uitkering met toepassing van artikel 58 van de WAZ. Na herberekening van het maatmaninkomen door de bezwaararbeidsdeskundige is betrokkene ingedeeld in de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Heeft het UWV ook de bijtelling beloning meewerkend echtgenoot terecht als deel van de te anticumuleren inkomsten van betrokkene over 1998 beschouwd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/1749 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 21 mei 1999 (besluit 1) heeft gedaagde appellante medegedeeld dat haar uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, over het jaar 1998 met toepassing van artikel 58 van die wet wordt uitbetaald alsof zij 25 tot 35% arbeidsongeschikt was, hetgeen wil zeggen dat uitbetaling plaatsvindt naar 28% van de grondslag.

Bij besluit van 11 juni 1999 (besluit 2) heeft gedaagde appellante medegedeeld dat haar voornoemde uitkering over het jaar 1998 met toepassing van artikel 58 van de WAZ wordt uitbetaald alsof zij 25 tot 35% arbeidsongeschikt is, hetgeen wil zeggen dat uitbetaling plaatsvindt naar 21% van de grondslag.

Bij besluit van 20 september 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en haar bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard, met dien verstande dat de WAZ-uitkering van appellante over het jaar 1998 wordt uitbetaald alsof zij 35 tot 45% arbeidsongeschikt is.

Bij uitspraak van 31 januari 2001 heeft de rechtbank Maastricht het beroep van appellante tegen het besluit van 20 september 1999 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij aanvullend beroepschrift van 26 mei 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 5 juli 2001.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 januari 2003, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde T.E.G. Pittie en waar gedaagde zich, zoals kort tevoren telefonisch bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellante is werkzaam als zelfstandig verhuurster van vakantieappartementen. Na een haar in 1995 overkomen auto-ongeluk is zij ernstig beperkt wat het gebruik van haar rechter arm betreft. In verband hiermede is aan haar met ingang van 29 juni 1996 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De arbeidsdeskundige L.M.J. Stijnen heeft blijkens zijn rapport van 17 mei 1999 op basis van door appellante overgelegde stukken geconstateerd dat appellante in haar aangifte inkomstenbelasting (IB) 1998 een winst uit onderneming heeft opgegeven van f 19.919,-. Uitgaande van dit bedrag was de arbeidsdeskundige van mening dat appellante voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ, op welke wet haar uitkering inmiddels was komen te berusten, als 25 tot 35% arbeidsongeschikt was te beschouwen. Gelet hierop heeft gedaagde besluit 1 genomen. Nadien is dit besluit vervangen door besluit 2, waarbij is bepaald dat de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante geschiedt naar 21% in plaats van naar 28%, als ten onrechte in besluit 1 neergelegd, van de voor haar geldende grondslag.

De bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom heeft een herberekening van het maatmaninkomen van appellante uitgevoerd en is tot de conclusie gekomen dat appellante voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ diende te worden ingedeeld in de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

In beroep bij de rechtbank heeft appellante aangevoerd dat de totale winst van haar onderneming, in de zin van hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), in de jaarstukken over 1998 is vastgesteld op f 2.970,33. Om tot het totaal fiscaal inkomen van appellante over 1998 te komen zijn aan dit bedrag toegevoegd een "bijtelling beloning meewerkend echtgenoot" ad f 12.150,- alsmede een "bijtelling voor privé gebruik van de auto van de zaak" ad f 4.799,-, waarmede dit inkomen is bepaald op f 19.919,33.
Nu in artikel 1, aanhef en onder i, van de WAZ het begrip "winst uit onderneming" wordt gedefinieerd als "winst uit onderneming als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964" en genoemde bijtellingen daarentegen zijn vermeld in respectievelijk afdeling 1 en afdeling 5 van hoofdstuk II van die wet, is appellante van mening dat niet dit laatste bedrag doch het bedrag van f 2.970,33 voor de anticumulatie krachtens artikel 58 van de WAZ tot uitgangspunt dient te worden genomen.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en daartoe onder meer overwogen dat het (fiscale) winstbegrip in artikel 7 van de Wet IB 1964 zeer ruim is geformuleerd en de stelling van appellante dat beide genoemde bijtellingen niet onder dit begrip vallen, geen enkele steun vindt in de Wet IB 1964. Verder heeft de rechtbank opgemerkt dat uit de wijze waarop het winstbegrip in de WAZ is gedefinieerd niet mag worden afgeleid dat dit begrip beperkt is tot de categorieën die worden genoemd in hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet IB 1964. In artikel 1, eerste lid, onder i, van de WAZ wordt slechts verwezen naar de afdeling in de Wet IB 1964 waar dit specifieke winstbegrip wordt gedefinieerd. Daaruit volgt geenszins dat het begrip winst uit onderneming alleen kan bestaan uit onderdelen van deze specifieke afdeling van de Wet IB 1964, aldus de rechtbank.

Ter zitting van de Raad heeft appellante te kennen gegeven dat niet langer wordt betwist dat gedaagde de bijtelling voor privé gebruik van de auto van de zaak voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ terecht heeft betrokken bij de vaststelling van de hoogte van de haar toe te rekenen winst uit onderneming over 1998. In geding is derhalve nog slechts of gedaagde ook de bijtelling beloning meewerkend echtgenoot terecht als deel van de te anticumuleren inkomsten van appellante over 1998 heeft beschouwd.

De Raad overweegt dat het in artikel 1, eerste lid, onder i, van de WAZ omschreven begrip "winst uit onderneming" met name van betekenis is voor de bepaling van de hoogte van de grondslag als bedoeld in artikel 8 van de WAZ alsmede voor de bepaling van de hoogte van de premie als bedoeld in artikel 71 en volgende van de WAZ. Dit begrip is daarentegen niet (rechtstreeks) aan de orde bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ, welk artikel ziet op korting van "de inkomsten uit arbeid". De inkomsten uit arbeid van een zelfstandige als hier bedoeld dienen overeenkomstig de vaste jurisprudentie van de Raad ten aanzien van het soortgelijke artikel 33 van de AAW te worden gesteld op (het aan betrokkene toekomende deel van) de fiscale netto-winst, zijnde in dit geval f 19.919,33, tenzij gesproken moet worden van (bijzondere) omstandigheden die aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken. Naar het oordeel van de Raad doen zich in dit geval omstandigheden in deze laatste zin voor, waartoe als volgt wordt overwogen.
Bij de beoordeling van het resterende geschilpunt stelt de Raad voorop dat zich onder de stukken een (uitvoerig) rapport bevindt van de registerarbeidsdeskundige A.L. van Summeren waarin is neergelegd dat appellante na haar uitval in het hoogseizoen nog 17,4 uren per week, in het seizoen nog 13,6 uren per week en in het laagseizoen nog 5,8 uren per week werkzaam was in haar bedrijf. Voorts besloeg volgens dit rapport de arbeid van de echtgenoot van appellante na haar uitval in diezelfde seizoenen achtereenvolgens ongeveer 12, 9 en 6 uren per week. De Raad heeft vooralsnog geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze gegevens en meent hieruit in elk geval te kunnen afleiden dat de echtgenoot van appellante een wezenlijke arbeidsinbreng in het bedrijf had. Deze inbreng bleef evenwel beneden het aantal uren dat minimaal vereist is om gebruik te kunnen maken van de meewerkaftrekregeling als bedoeld in artikel 44n van de Wet IB 1964. Voorts kon appellante geen gebruik maken van de mogelijkheid om de werkelijke arbeidsbeloning van haar echtgenoot af te trekken van de winst uit haar onderneming, als geregeld in artikel 5 van de Wet IB 1964, reeds omdat het door appellante aangehouden bedrag van de zuivere inkomsten uit de arbeid van haar man niet ten minste gelijk was aan twee maal de basisaftrek. Een en ander betekent dat het appellante niet mogelijk was de arbeidsinbreng van haar man fiscaal als zodanig tot uitdrukking te brengen. Dit kan naar het oordeel van de Raad niet wegnemen dat in de gegeven omstandigheden niet valt te rechtvaardigen dat er ook bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ aan wordt voorbij gegaan dat de inkomsten uit het bedrijf in feite ten dele aan de arbeidsinbreng van de echtgenoot van appellante zijn toe te schrijven en de totale fiscale winst uit het bedrijf bij die toepassing aan appellante wordt toegerekend. De door appellante in de jaarstukken opgevoerde arbeidsbeloning voor haar man ten bedrage van f 12.150,- acht de Raad evenwel niet in een evenwichtige verhouding staan tot de daarbij voor appellante overblijvende winst uit het bedrijf, gelet op hun beider inbreng aan arbeidsuren in het bedrijf. Van een arbeidscontract waarin dit bedrag is neergelegd, is ook niet gebleken. De Raad acht het daarom aangewezen voor de berekening van de inkomsten die de meewerkend echtgenoot geacht kan worden te hebben genoten analoge toepassing te geven aan het eerste lid van artikel 5 van het Inkomensbesluit WAZ en wel door de winst uit het bedrijf te vermenigvuldigen met de in dit lid genoemde factor X/Y.

Nu gedaagde niet in deze zin heeft gehandeld komt het bestreden besluit evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit is in stand gelaten, voor vernietiging in aanmerking.
De Raad tekent hierbij aan dat het gedaagde bij het opnieuw in de zaak voorzien vrij staat de arbeidsinbreng van appellante onderscheidenlijk haar echtgenoot in het bedrijf desgewenst nog nader te onderzoeken.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 1288,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x