Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ / Wet TBA
x
LJN:
x
AF7887
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAZ-uitkering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Het geldende arbeidsongeschiktheidscriterium als neergelegd in artikel XVI, derde lid, van de Wet TBA. In het onderhavige geval is een onjuiste schattingsmethode gehanteerd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5828 WAZ en 01/4866 WAZ




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 februari 2000 (bestreden besluit 1) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 februari 1999 waarbij gedaagde de uitkering van appellant op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 16 september 1998 heeft herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Bij uitspraak van 23 oktober 2000 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Bij besluit van 14 november 2000 (bestreden besluit 2) heeft gedaagde opnieuw beslist en, onder gegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 februari 1999, de WAZ-uitkering van appellant eerst met ingang van 19 december 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Appellant heeft op bij beroepschrift van 16 november 2000 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam.

Bij uitspraak van 24 juli 2001 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij beroepschrift van 3 september 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift in beide gedingen ingediend, gedateerd 14 november 2001.

Bij brief van 8 januari 2002 heeft gedaagde een rapport d.d. 19 december 2001 van de bezwaararbeidsdeskundige H.W. Oranje ingezonden.

Bij brief van 8 augustus 2002 heeft appellant hierop gereageerd.

Bij brief van 8 oktober 2002 heeft gedaagde desgevraagd nog stukken toegestuurd.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 januari 2003, waar appellant, zoals tevoren bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 2 april 1996 is aan appellant, een zelfstandig tomatenkweker, een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, zulks met ingang van 29 maart 1994, zijnde een jaar vr de dag waarop de aanvraag om uitkering werd ingediend. Daarbij is ervan uitgegaan dat appellant sedert 28 augustus 1983 beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid en dat deze beperkingen op 8 november 1993 zijn toegenomen.

Door indiening van een op 9 september 1998 ingevuld en ondertekend formulier heeft appellant gedaagde kenbaar gemaakt dat hij zich vanaf 4 mei 1998 geheel arbeidsongeschikt acht. Op laatstgenoemde datum heeft appellant een rugwervel gebroken na een val van zijn fiets.

Appellant is vervolgens op 16 november 1998 onderzocht door de verzekeringsarts N.L. van Luntesburg, die constateerde dat appellant herstellende was en die een belastbaarheidspatroon heeft opgesteld.
Hierop heeft de arbeidsdeskundige D.R.A. Nanoha een onderzoek ingesteld waarna hij concludeerde dat appellant na het ongeval op 4 mei 1998 geheel arbeidsongeschikt was. Op basis van een vergelijking van de taken die appellant voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in zijn eigen bedrijf verrichtte met de taken die hij omstreeks medio september 1998 naar de mening van de arbeidsdeskundige geacht werd weer te kunnen doen, waarbij ook is gelet op de arbeidstijd welke voor het verrichten van die taken nodig is, heeft de arbeidsdeskundige zich voorts op het standpunt gesteld dat appellant per medio september 1998 als 65 tot 80% arbeidsongeschikt is te beschouwen. In overeenstemming hiermede heeft gedaagde bij besluit van 5 februari 1999 de, inmiddels op de WAZ berustende, uitkering van appellant met ingang van 1 juni 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en voorts deze uitkering bij het bij bestreden besluit 1 gehandhaafde besluit van 6 februari 1999 ingaande 16 september 1998 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

De rechtbank heeft bestreden besluit 1 vernietigd omdat de arbeidsdeskundige Nanoha, voornoemd, appellant pas op 18 december 1998 heeft genformeerd over de voor hem nog openstaande arbeidsmogelijkheden, op welke datum appellant niet in zijn bedrijf werkzaam was evenmin als op 16 september 1998. Nu de herziening van de uitkering reeds per deze laatste datum heeft plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat gedaagde ten aanzien van de herziening zorgvuldig heeft gehandeld.

Bij bestreden besluit 2 heeft gedaagde uitvoering gegeven aan deze uitspraak en, onder gegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 1999, de herziening van de uitkering van appellant naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% eerst doen ingaan op 19 december 1998.

De Raad overweegt allereerst dat het (hoger) beroep van appellant, onder analoge toepassing van het eerste lid van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geacht moet worden mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2. De omstandigheid dat dit besluit reeds een paar dagen voordat appellant zijn hoger beroep instelde, is genomen brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Niet valt immers in te zien dat het voor de (analoge) toepassing van dit eerste lid wezenlijk verschil dient uit te maken of het nieuwe besluit vr dan wel na het instellen van het hoger beroep is genomen.

Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank, die bij schrijven van 21 november 2000 op de hoogte is gesteld van het hoger beroep van appellant tegen haar uitspraak van 23 oktober 2000, niet bevoegd was om het beroep tegen bestreden besluit 2 in behandeling te nemen. In de gegeven omstandigheden acht de Raad het aangewezen de uitspraak van de rechtbank van 24 juli 2001, waarbij het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard, te vernietigen.

Nu bestreden besluit 1 is vervangen door bestreden besluit 2 en (ook) dit laatste besluit hier onderwerp van geschil is, heeft appellant geen belang bij een beoordeling van bestreden besluit 1. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak van 23 oktober 2000 ter zake van dit besluit komt dan ook voor niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking.

Met betrekking tot bestreden besluit 2 merkt de Raad op dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant van 65 tot 80%, welke (ook) in dit besluit is neergelegd, is bepaald aan de hand van een taken/urenvergelijking als hiervoor is aangegeven. Uit de stukken en het ter zitting verhandelde blijkt dat gedaagde tot een zodanig vergelijking is overgegaan omdat hij van oordeel is dat het sedert 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium in dit geval niet van toepassing is omdat appellant reeds vr deze datum arbeidsongeschikt is geworden.

Dienaangaande overweegt de Raad dat appellant vanaf 28 augustus 1983 in medisch opzicht beperkt wordt geacht bij het verrichten van arbeid. Hij heeft evenwel eerst eind maart 1995 een verzoek ingediend hem een uitkering op grond van de AAW toe te kennen, waarna hem bij besluit van 2 april 1996 met ingang van 29 maart 1994 een uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Gelet hierop is van belang dat in het eerste lid van artikel 52 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS) is neergelegd dat het op 31 december 1986 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing blijft op bepaalde personen die op die dag recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In zijn uitspraak van 10 oktober 2000, gepubliceerd in USZ 2000/289, heeft de Raad geoordeeld dat een recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als hier bedoeld eerst dan vaststaat indien dit in een besluit is vastgelegd. In het voorliggende geval is geen sprake van een besluit waarin is bepaald dat appellant op 31 december 1986 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hieruit volgt dat voormeld oud arbeidsongeschiktheidscriterium niet op appellant van toepassing is. In gelijke zin moet worden geoordeeld ten aanzien van het in de periode van 1 januari 1987 tot 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium. In artikel XVI, derde lid, van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) is neergelegd dat dit laatste criterium tot een latere datum dan 1 augustus 1993 van toepassing blijft op bepaalde personen die op 31 juli 1993 recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In zijn uitspraak van 9 januari 2002, gepubliceerd in USZ 2002/70, heeft de Raad als zijn oordeel uitgesproken dat deze overgangsbepaling ziet op personen die op 31 juli 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen op basis van een vr die datum genomen besluit. Appellant kan niet als een zodanige persoon worden beschouwd.

Gezien het vorenstaande is op appellant het arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing zoals dat sedert 1 augustus 1993 op grond van de Wet TBA van kracht is.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 maart 1999, gepubliceerd in RSV 99/174 en USZ 99/138, staan in een geval als het onderhavige, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid dient te worden vastgesteld van een zelfstandige die als gevolg van medische beperkingen niet langer ten volle geschikt is te achten voor de eigen werkzaamheden, de in het Schattingsbesluit neergelegde regels niet toe dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid geschiedt aan de hand van de methode van een urenvergelijking en deeltakenanalyse. Het Schattingsbesluit gaat - als hoofdregel - uit van een schatting op basis van functies in loondienst. Daarnaast kan in een geval waarin de betrokkene werkzaam blijft in het eigen bedrijf, de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge artikel 2, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit worden vastgesteld aan de hand van de feitelijke inkomsten uit arbeid, indien hieraan althans een duurzame verdiencapaciteit kan worden ontleend en dit in vergelijking met een theoretische schatting met behulp van geselecteerde functies tot een lagere klasse leidt.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat gedaagde in dit geval een onjuiste schattingsmethode heeft gehanteerd.
Dit betekent dat het (hoger) beroep voorzover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 gegrond is en dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten zijn begroot op 322,- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op 322,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak van 23 oktober 2000 niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voorzover dat geacht wordt te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dit besluit;
Vernietigt de aangevallen uitspraak van 24 juli 2001;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 27,23 (f 60,-, in eerste aanleg) en 154,28 (2x f 170,-, in hoger beroep) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x