Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AF8462
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering op de grond dat betrokkene na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Naar aanleiding van vragen van de CRvB is alsnog een WAZ-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Dat betrokkene zijn werkzaamheden als zelfstandig garagehouder niet of nauwelijks naar behoren kan verrichten, laat onverlet dat de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid kan worden bepaald op basis van functies in loondienst.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/131 WAZ en 02/4984 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 19 maart 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat appellant na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 29 april 2001 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 juli 2001, hierna: besluit 1, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak van 10 december 2001 het beroep tegen het besluit 1 ongegrond verklaard.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.

Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 17 september 2002, hierna: besluit 2, alsnog aan appellant met ingang van 30 april 2001 een uitkering ingevolge de WAZ toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 28 januari 2003, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren [in] 1945, is sedert 1978 werkzaam geweest als zelfstandig garagehouder. In verband met omstreeks 1 mei 2000 opgetreden klachten aan de linkerarm en -schouder heeft appellant op 11 december 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd.

Gedaagde heeft op basis van de uitkomsten van de ingestelde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken aangenomen dat appellant als gevolg van zijn beperkingen niet langer geschikt is voor zijn eigen werk als zelfstandig garagehouder, maar nog wel in staat is om met diverse loondienstfuncties een zodanig inkomen te verwerven dat ten opzichte van het in aanmerking genomen maatgevende inkomen sprake is van een verlies van verdiencapaciteit van minder dan 25%. Gedaagde heeft op die grond aan appellante een uitkering ingevolge de WAZ met ingang van 30 april 2001 ontzegd bij het bij besluit 1 gehandhaafde besluit in primo van 19 maart 2001.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft gedaagde in hoger beroep twee van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies laten vervallen. Op basis van de drie resterende functies heeft gedaagde de mate van appellants arbeidsongeschiktheid vastgesteld op ruim 30%. Bij brief van 9 september 2002 heeft gedaagde medegedeeld van mening te zijn dat besluit 1 niet kan worden gehandhaafd. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit 2 aan gedaagde alsnog met ingang van 30 april 2001 een uitkering ingevolge de WAZ toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Onder verwijzing naar de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gedaagde verzocht besluit 2 in de lopende procedure te betrekken.

De Raad stelt allereerst vast dat besluit 2, hoewel de redactie van dat besluit doet vermoeden dat het om een besluit in primo gaat, dient te worden aangemerkt als een nieuwe beslissing op appellants bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2001. Nu met besluit 2 wijziging is gebracht in besluit 1 en besluit 2 niet geheel aan appellants beroep tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Gezien gedaagdes mededeling dat besluit 1 niet kan worden gehandhaafd, kan dat besluit geacht worden te zijn ingetrokken. Uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Hiervan is in dit geval geen sprake. Het hoger beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of besluit 2 in rechte stand kan houden.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld zijn werkzaamheden als zelfstandig garagehouder niet of nauwelijks naar behoren te kunnen verrichten. Naar aanleiding van deze grief wijst de Raad er op dat het feit dat gedaagde appellant ongeschikt heeft geacht voor zijn eigen werk, onverlet laat dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid kan worden bepaald op basis van functies in loondienst. In dit verband verwijst de Raad naar artikel 2, eerste lid, van de WAZ, waarin - voor zover thans van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is de verzekerde die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, met arbeid gewoonlijk verdienen. Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de WAZ wordt onder arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Met betrekking tot het medische aspect van de in geding zijnde schatting is de Raad van oordeel dat sprake is van een zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat gedaagdes verzekeringsarts de belastbaarheid van appellant voor (linker) schouder-/armsparende arbeid heeft vastgesteld op basis van een medisch onderzoek en van appellants huisarts verkregen informatie. Voorts heeft gedaagdes bezwaarverzekeringsarts acht geslagen op nadere informatie van de huisarts en de behandelende orthopedisch chirurg, die voor de pijnklachten van appellant geen duidelijke verklaring kon geven. Gezien de beschikbare medische gegevens omtrent appellants gezondheidstoestand ziet de Raad geen aanleiding de vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden.

De Raad is voorts niet gebleken dat besluit 2 berust op een onjuiste arbeidskundige grondslag, aangezien dat besluit steunt op voldoende, voor appellant geschikt te achten, functies met voldoende arbeidsplaatsen. De Raad ziet ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Awb geen aanleiding voor het oordeel dat besluit 2 in rechte geen stand kan houden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep tegen besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

Aan de Raad is niet gebleken van aan de zijde van appellant gevallen proceskosten die voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van Awb in aanmerking komen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2003.

(get.) K.J.S.Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x