Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ / Inga / Wet TBA
x
LJN:
x
AO5323
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-11-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om de WAZ-uitkering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, te herzien naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Ingevolge artikel XIII, eerste lid, onderdeel b, van de Inga en artikel XVI, eerste lid, van de Wet TBA is op betrokkene van toepassing gebleven het arbeidsongeschiktheidscriterium van artikel 5 van de AAW zoals dit gold in de periode van 1 januari 1987 tot 1 augustus 1993, het zogeheten middencriterium. Uitgaande van de gelijk gebleven medische beperkingen ten opzichte van de situatie per einde wachttijd is op goede gronden de resterende verdiencapaciteit vastgesteld op de uitkomst van de destijds verrichte deeltakenanalyse en urenvergelijking.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2737 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 5 februari 2001 heeft gedaagde geweigerd om de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, te herzien naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.

Bij besluit van 12 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 februari 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 10 april 2002 het beroep van appellant tegen het besluit van 12 november 2001 ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, op bij aanvullend beroepschrift van 29 juli 2002 (met bijlage) aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage), gedateerd 13 augustus 2002, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 oktober 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Van Gestel, voornoemd. Gedaagde heeft zich, zoals schriftelijk was bericht, niet doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.

In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde bij het in rubriek I vermelde besluit van 12 november 2001 terecht en op goede gronden appellants bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2001, waarbij appellants mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd werd vastgesteld op 25 tot 35%, ongegrond heeft verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uiteengezet dat, en op welke gronden, het besluit van 12 november 2001 naar haar oordeel in rechte stand kan houden.

In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat:
- de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de namens appellant ingebrachte brief van de orthopedisch chirurg A.Th.J.M. Bloem van 26 februari 2002;
- gelet op de feitelijke situatie de mate van arbeidsongeschiktheid niet correct is berekend.

Wat betreft de procedurele grief overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge het eerste lid van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.
De Raad merkt op dat de memorie van toelichting bij artikel 8:58 van de Awb de rechter een zekere vrijheid laat in zijn beoordeling of binnen tien dagen voor de zitting ingediende stukken bij de beoordeling van het geding zullen worden betrokken. De brief van de orthopedisch chirurg Bloem van 26 februari 2002 is namens appellant eerst bij brief van 27 maart 2002, ingekomen bij de rechtbank op 29 maart 2002, ingezonden. In aanmerking genomen dat de informatie van de orthopedisch chirurg Bloem eerder in het geding had kunnen worden gebracht en dat gedaagde door het in een zo laat stadium van de procedure in het geding brengen van die informatie daarop niet naar behoren heeft kunnen reageren, vermag de Raad niet in te zien dat het oordeel van de rechtbank om die informatie niet in haar oordeel te betrekken, onjuist is.

De Raad overweegt vervolgens dat hij, voor wat betreft de voor appellant geldende medische beperkingen, geen reden heeft gezien te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans en de verzekeringsarts A.J. Mackor, als neergelegd in hun rapportages van 22 juni 2001 en 16 juni 2000. De verzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie, eigen onderzoek alsmede informatie van de behandelend neuroloog C.T.J.M. Leijzer geoordeeld dat de door appellant ondervonden toename van pijnklachten in rug en benen objectief medisch bezien geen aanleiding vormt om zwaardere beperkingen tot het verrichten van arbeid aan te nemen dan die welke per einde wachttijd ten aanzien van appellant zijn vastgesteld.
De Raad voegt hier aan toe dat de informatie van de orthopedisch chirurg Bloem van 26 februari 2002 geen objectief-medische aanknopingspunten biedt voor het aannemen van ernstiger beperkingen dan waarvan de (bezwaar)verzekeringsarts is uitgegaan.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de onderhavige schatting overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel XIII, eerste lid, onder b, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen en artikel XVI, eerste lid, van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, is op appellant van toepassing gebleven het arbeidsongeschiktheidscriterium van artikel 5 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet zoals dit gold in de periode van 1 januari 1987 tot 1 augustus 1993, het zogeheten middencriterium.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is ten aanzien van een doorwerkende zelfstandige met een substantiŽle verdiencapaciteit in zijn bedrijf onder vigeur van het middencriterium een deeltakenanalyse en urenvergelijking van de situatie voor en na het intreden van de arbeidsongeschiktheid de methode om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen.
Slechts indien de bedrijfsvoering, mede ingegeven door de gezondheidstoestand van de zelfstandige, ingrijpend gewijzigd is, kan volgens bestendige jurisprudentie van de Raad het oude bedrijf niet langer tot uitgangspunt genomen worden bij de bepaling van de resterende verdiencapaciteit, maar dient te worden uitgegaan van de winstcijfers van de nieuwe bedrijfsvorm.
De Raad is van oordeel dat de hiervoor beschreven uitzonderingssituatie zich ten aanzien van appellant niet voordoet en overweegt daartoe als volgt.
Appellant heeft zijn slagerij te Apeldoorn, welke een volledig vernieuwd en gemoderniseerd bedrijf betrof, louter om bedrijfseconomische redenen per 1 juli 1994 beŽindigd. Van een bedrijfsverandering om gezondheidsredenen is dan ook in het geheel geen sprake. De Raad overweegt voorts dat de slagerij die appellant sedert oktober 1995 te [woonplaats] exploiteert weliswaar kleiner van omvang is dan de destijds gedreven onderneming te Apeldoorn, maar niet is gebleken dat appellant in zijn nieuwe bedrijf wezenlijk anders werkzaam is dan voorheen in zijn slagerij te Apeldoorn. Appellant verricht zowel in de oude als in de nieuwe slagerij enkel lichte werkzaamheden en net als voorheen verricht hij deze werkzaamheden gemiddeld 30 uur per week.
Gelet op het vorenstaande heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad, uitgaande van de gelijk gebleven medische beperkingen ten opzichte van de situatie per einde wachttijd, op goede gronden de resterende verdiencapaciteit van appellant, welke ten grondslag ligt aan het thans bestreden besluit, kunnen vaststellen op de uitkomst van de destijds per 29 juni 1992 verrichte deeltakenanalyse en urenvergelijking in de oude slagerij van appellant.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x