Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AO9154
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, maar de uitkering wordt niet uitbetaald wegens inkomsten uit arbeid. Zijn de inkomsten uit verhuur aan te merken als inkomsten uit arbeid? Voorwaarden voor opschorting van de uitkering. Het medisch onderzoek is zorgvuldig en volledig geweest.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/5030 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 17 augustus 2000 heeft gedaagde appellant per 29 september 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Tevens heeft gedaagde appellant bij genoemd besluit meegedeeld dat zijn uitkering in verband met inkomsten uit arbeid niet wordt uitbetaald.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar ongegrond is verklaard bij besluit op bezwaar van 19 februari 2001 (hierna: het bestreden besluit).

De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak van 2 augustus 2001, reg.nr. AWB 01/217, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. A. Kraag, werkzaam bij Das Rechtsbijstand, op bij beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 januari 2004, waar appellant niet is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. J.Z. Groenenberg, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig frietkraamhouder en heeft zijn werkzaamheden op 1 oktober 1999 gestaakt wegens diverse klachten. Appellant heeft zijn frietkraam aan de parkeerplaats het Veerse Gatdam te Kamperland in het jaar 2000 verhuurd aan een van zijn zoons. Het andere verkooppunt aan de Banjaardweg werd reeds eerder verhuurd.

Aan het in rubriek I van deze uitspraak genoemde besluit van 17 augustus 2000 ligt een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidskundige beoordeling ten grondslag volgens welke appellant weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid maar met die beperkingen geschikt werd geacht voor werkzaamheden verbonden aan door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies van metaalperser-bediende (fb-code 8364), samensteller elektrotechniek (fb-code 8539) en lederwarenmaker (fb-code 8030). Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie genoemde functies met de hoogste lonen met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde in een verlies aan verdiencapaciteit van 30,87%. Tevens heeft gedaagde appellant bij genoemd besluit meegedeeld dat de uitkering niet wordt uitbetaald omdat appellant inkomsten uit arbeid geniet.

Het hiertegen gemaakte bezwaar werd bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Gedaagde heeft het niet uitbetalen van de uitkering in het bestreden besluit nader gemotiveerd met artikel 55, derde lid, van de WAZ, op grond waarvan de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt opgeschort indien gedaagde op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat het recht op uitkering niet of niet meer bestaat of recht op een lagere uitkering bestaat.

Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij haar uitspraak van 2 augustus 2001 ongegrond verklaard.

Appellant voert in hoger beroep aan dat zijn beperkingen zijn onderschat door gedaagde en dat hij geen inkomsten uit arbeid maar uit verhuur heeft genoten.

Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

De Raad zal allereerst ingaan op de vraag of gedaagde aan appellant per 29 september 2000 terecht een WAZ-uitkering heeft toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%

De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest.
De verzekeringsarts H.G. van Loon heeft blijkens zijn rapport van 5 juni 2000 dossieronderzoek gedaan en een anamnese afgenomen. In de bijlage van zijn rapport is een belastbaarheidsprofiel van appellant opgenomen. Bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz komt in haar rapport van 15 februari 2001 tot een bevestiging van de bevindingen van de primaire verzekeringsarts nadat zij lichamelijk onderzoek naar de klachten van appellant heeft gedaan. In haar rapport heeft zij vermeld dat zij bij het lichamelijk onderzoek een geringe zwelling aan de rechter laterale enkel en een ganglion aan de linker pols heeft gevonden. Zij acht appellant beperkt bij het gebruik van de rechter enkel met name ten aanzien van de aspecten lopen, staan, traplopen en klimmen. Tevens heeft zij een geringe bewegingsbeperking geconstateerd van de heupen. Bij het onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts geen afwijkingen kunnen vinden aan de schouder en rug. Zij heeft evenals de verzekeringsarts daarvoor dan ook geen specifieke beperkingen kunnen vaststellen. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat appellant niet geschikt kan worden geacht voor heel zwaar werk en voor werk met een omvang van meer dan 8 uur per dag, hetgeen ook de verzekeringsarts had aangegeven in het door hem opgestelde belastbaarheidsprofiel. Daarnaast wordt appellant aangewezen geacht op werk zonder contact met klanten. De Raad heeft geen aanknopingspunten aangetroffen voor twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Daarbij heeft hij laten wegen dat appellant zijn stellingen dat hij verdergaand beperkt moet worden geacht dan aangenomen door de (bezwaar)verzekeringsarts, niet voorzien van een medische onderbouwing aannemelijk heeft gemaakt. Gelet op het voorgaande heeft de Raad evenmin aanleiding om te twijfelen aan de passendheid van de appellant voorgehouden functies.

Voorts is aan de orde de vraag of de uitbetaling van de uitkering terecht is opgeschort.

De Raad is van oordeel dat de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit beschikbare gegevens, een voldoende feitelijke basis vormden voor het vermoeden dat het recht op uitkering niet meer bestond zoals bedoeld in artikel 55, derde lid, onder b, van de WAZ, waaronder ook dient te worden begrepen de niet-betaling van de uitkering op grond van korting in verband met inkomsten uit arbeid. De arbeidsdeskundige A.R. Moet heeft blijkens zijn rapport van 27 juni 2000 geconstateerd dat voor het jaar 2000 een inkomen werd verwacht van minimaal f. 25.000,00. Dit bedrag betreft de huuropbrengsten welke niet priv, doch via de onderneming worden gend.
De arbeidsdeskundige heeft in genoemd rapport vermeld dat appellant hieraan bedrijfsmatige beheersactiviteiten heeft. Tijdens de bezwaarprocedure heeft appellant een nota van april 2000 overgelegd betreffende een totale huursom inclusief BTW van f. 25.703,00 voor het jaar 2000 van de aan een van zijn zoons verhuurde standplaats. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 22 februari 2001 vermeld dat het fiscale inkomen van betrokkene vr het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid is gevormd door de exploitatie van 2 verkooppunten, deels verhuurd. Gelet op het voorgaande en mede gezien de verwachting dat de huuropbrengsten het maatmaninkomen zouden overstijgen was naar het oordeel van de Raad het vermoeden dat appellants inkomsten als inkomsten uit arbeid vatbaar waren voor korting en dat deze korting zou leiden tot fictieve indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse lager dan 25%, op voldoende feitelijke gegevens gebaseerd.

Met gedaagde en anders dan appellant is de Raad van oordeel dat appellants inkomsten uit verhuur als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 58 van de WAZ moeten worden aangemerkt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 mei 2001, gepubliceerd in RSV 2001/150, is voor de toepassing van genoemd artikel vereist dat de in aanmerking te nemen inkomsten uit arbeid zijn verkregen. De Raad overweegt voorts dat volgens zijn vaste jurisprudentie bij het beantwoorden van de vraag of een zelfstandige in zijn bedrijf arbeid heeft verricht in beginsel de in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze van betrokkene tot uitgangspunt dient te worden genomen. In dat kader is van belang dat de arbeidsdeskundige volgens zijn rapport van 27 juni 2000 niet is gebleken van stakingswinst met betrekking tot het vanaf 2000 verhuurde verkooppunt. Gedaagde beschikte daarmee over voldoende gegevens voor het vermoeden dat de huuropbrengst over 2000 als winst uit onderneming zou worden verantwoord, waarvoor ten minste enige arbeid zou worden verricht. Volgens de door gedaagde aan de rechtbank overgelegde jaarstukken over 2000 zijn de huuropbrengsten overigens ook daadwerkelijk als winst uit onderneming verantwoord. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in het onderhavige geval zou moeten worden afgeweken van evenvermeld uitgangspunt inzake het belang dat toekomt aan de door de betrokkene in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze, is de Raad niet gebleken.

Gelet op het voorgaande heeft gedaagde terecht toepassing gegeven aan artikel 55, derde lid, onder b van de WAZ. Hieraan doet niet af dat gedaagde ter zitting heeft verklaard dat aan appellant over de in geding zijnde periode alsnog uitkering is betaald omdat achteraf is gebleken dat geen toepassing kon worden gegeven aan artikel 58 van de WAZ.
De beoordeling van een opschortingsbesluit als hier aan de orde dient immers te geschieden aan de hand van de situatie ten tijde van het nemen van dat besluit en niet aan de hand van latere ontwikkelingen.

Gelet op al het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x