Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AP2488
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht; na bezwaar toekenning van een WAZ-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bestrijdt betrokkene terecht de gevolgde methode van actualisering van het maatmaninkomen met behulp van de LEI-indexcijfers en stelt hij terecht dat bij het duiden van de bij de schatting gebruikte functies in onvoldoende mate rekening is gehouden met zijn fysieke beperkingen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/1399 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 mei 2000 heeft gedaagde geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) op de grond dat appellant na het verstrijken van de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 5 januari 2000, minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 20 juni 2001 heeft gedaagde het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2000 gegrond verklaard, met dien verstande dat aan appellant met ingang van 5 januari 2000 een uitkering ingevolge de WAZ wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

De rechtbank Roermond heeft het namens appellant door mr. R.L.J.J. Vereijken, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, gevestigd te Roermond, ingestelde beroep tegen het besluit van 20 juni 2001 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 18 januari 2002, procedurenr. 01/903 WAZ K1, ongegrond verklaard.

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een rapport ingezonden van zijn bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden, gedateerd 16 mei 2002.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 20 april 2004, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant heeft in zijn op 3 november 1999 gedateerde aanvraag om een WAZ-uitkering aangegeven dat hij met ingang van 6 januari 1999 wegens schouderklachten beiderzijds, opgelopen bij een val tijdens het werk, arbeidsongeschikt is voor zijn in een omvang van 70 uren per week verrichte werkzaamheden als zelfstandig agrariŽr. Bij primair besluit van 16 mei 2000 heeft gedaagde geweigerd om appellant voor zodanige uitkering in aanmerking te brengen. Gedaagde heeft hierbij tot uitgangspunt genomen dat appellant, ondanks de voor hem door gedaagdes verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, met passende loondienstfuncties nog een zodanig inkomen kon verwerven dat geen sprake was van een voor de toepassing van de WAZ relevant verlies van verdiencapaciteit.

Appellant heeft in bezwaar grieven naar voren gebracht met betrekking tot de door gedaagde gevolgde methode van actualisering van het maatmaninkomen met behulp van de zogeheten LEI-indexcijfers. Daarnaast heeft hij naar voren doen brengen dat bij het duiden van de bij de schatting gebruikte functies in onvoldoende mate rekening is gehouden met zijn fysieke beperkingen.

Het bezwaar van appellant inzake de wijze van vaststelling van het maatmaninkomen is door gedaagde gehonoreerd. In overeenstemming met kort na het nemen van het primaire besluit tot stand gekomen rechtspraak van de Raad - de Raad noemt hier zijn uitspraak van 30 mei 2000, onder meer gepubliceerd in RSV 2000/165 - heeft gedaagde alsnog afgezien van het gebruik van evenvermelde LEI-cijfers. Gedaagde heeft het maatmaninkomen herberekend aan de hand van de CBS-loonindex-totaal-cijfers en heeft, uitgaande van het aldus herberekende maatmaninkomen, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant nader bepaald op 35 tot 45%. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts van gedaagde de door de primaire verzekeringsarts in aanmerking genomen beperkingen op onderdelen aangescherpt, maar zulks bleek naar de zienswijze van gedaagde geen invloed te hebben op de passendheid van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

In beroep is namens appellant aangevoerd dat gedaagde ten onrechte volledig is voorbij gegaan aan zijn bezwaren van medische aard. De medisch adviseur van appellant zou hebben aangegeven dat appellant op onderdelen meer beperkt is dan vanwege gedaagde is aangenomen. Appellant zou daarmee niet in staat zijn tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de door gedaagde als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies.

De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat de medische advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit in strijd is met de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. Ook heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de verzekeringsgeneeskundige bevindingen voor onjuist te houden. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter de passendheid van de voor de schatting gebruikte functies en achter de daarop gebaseerde indeling van appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. De rechtbank heeft daarom het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep zijn grieven inzake het belastbaarheidspatroon en de functies staande gehouden.

De Raad heeft in hetgeen namens appellant naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden om met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Appellant heeft ook in hoger beroep zijn eigen opvatting dat hij ernstiger beperkt is dan door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts is aangenomen niet aan de hand van objectief-medische gegevens onderbouwd. Namens appellant is wel gesteld dat hij wederom informatie heeft ingewonnen bij de medisch adviseur K.H. Harmsma, die - tot genoegen van appellant - op een aantal punten met de bezwaren van appellant zou zijn meegegaan, maar de Raad kan hieraan geen doorslaggevende betekenis toekennen, reeds omdat er zich onder de gedingstukken geen rapport van die arts bevindt. De Raad verenigt zich met de overweging van de rechtbank dat ook aan de eigen beleving van appellant over zijn beperkingen geen doorslaggevende betekenis kan en mag worden gehecht.

Uitgaande aldus van de juistheid van het omtrent appellant in aanmerking genomen belastbaarheidspatroon, staat voorts ook voor de Raad, mede in aanmerking genomen hetgeen van de zijde van gedaagde - bij monde van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts in bijlage 2 bij het rapport van 6 maart 2001 - is gesteld met betrekking tot de passendheid van de daar genoemde drie functies, genoegzaam vast dat appellant in staat was om ten tijde hier van belang de geselecteerde functies te vervullen.

Ten slotte heeft de Raad, in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ook overigens geen aanleiding om het bestreden besluit rechtens niet juist te achten.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Met betrekking tot het verzoek van appellant om in aanmerking te worden gebracht voor de in de bezwaarfase gemaakte kosten, overweegt de Raad nog als volgt. Ten tijde hier van belang gold, naar in vaste rechtspraak van de Raad is vastgelegd, de regel dat zodanige kosten slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding met toepassing van artikel 8:73 van de Awb in aanmerking kwamen, waarbij dient te worden gedacht aan situaties waarin het bestuursorgaan het primaire besluit tegen beter weten in heeft genomen. In het onderhavige geval is van een dergelijke bijzondere situatie geen sprake. Eerst na het nemen van het primaire besluit op 16 mei 2000 - namelijk bij de eerder genoemde uitspraak van 30 mei 2000 - heeft de Raad immers voor het eerst blijk gegeven van zijn oordeel dat de methode van vaststelling van het maatmaninkomen met behulp van de LEI-cijfers rechtens onjuist is te achten. Niet kan aldus gezegd worden dat gedaagde tegen beter weten in nog die methode heeft gehanteerd bij het nemen van het primaire besluit.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x