Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AQ5449
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de eerder naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% berekende WAZ-uitkering, omdat betrokkene met ingang van de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Stelt betrokkene terecht nog volledig arbeidsongeschikt te zijn vanwege ernstige psychische klachten?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/789 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 3 september 1998 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 november 1998 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante was afgenomen naar minder dan 15% [lees: 25%, red.].

Bij besluit van 17 juni 1999 heeft gedaagde het door appellante tegen het besluit van 3 september 1998 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 21 december 2000, reg.nr. AWB 99/739 WAZ V02, het namens appellante door mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, ingestelde beroep tegen het besluit van 17 juni 1999 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens appellante is op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Namens appellante is een rapport ingezonden van psychiater i.o. T.H. de Lange en psychiater prof. dr. W. van Tilburg, gedateerd 10 augustus 2001, bevattende de resultaten van een door die artsen op appellantes verzoek ingesteld psychiatrisch onderzoek.

Desgevraagd is door gedaagde, bij schrijven van 19 december 2002 van de bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen, op dat rapport gereageerd.

Bij brief van 17 februari 2003 heeft psychiater Van Tilburg naar aanleiding van die reactie een commentaar ingezonden.

Op dit commentaar is, bij brief van 24 februari 2003, weer gereageerd door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts Van Bruggen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 maart 2003, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen, en waar namens gedaagde niemand is verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 17 juli 2003 psychiater prof. dr. G.F. Koerselman als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Bij rapport van 17 februari 2004 heeft deze deskundige verslag gedaan omtrent zijn bevindingen en conclusies.

Bij brief van 7 april 2004 met bijlagen heeft gedaagde op verzoek van de Raad aangegeven welke gevolgen naar zijn oordeel het rapport van de deskundige Koerselman heeft voor de medische en/of arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

Van de zijde van appellante is daarop gereageerd bij brief van 29 april 2004 van appellantes raadsman en een daarbij gevoegde persoonlijke reactie van appellante zelf. In deze brief heeft appellantes raadsman onder meer de Raad verzocht om het naar aanleiding van evenvermeld verzoek van de Raad door gedaagde ingenomen standpunt aan de deskundige Koerselman voor te leggen. De Raad heeft bij brief van 4 mei 2004 meegedeeld dat dit verzoek om de deskundige Koerselman opnieuw te benaderen eerst zal worden genomen na de hernieuwde behandeling van de zaak ter zitting.
Naar aanleiding van de van de zijde van appellante gegeven reactie heeft gedaagde een schrijven, gedateerd 11 mei 2004, van zijn bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam, ingezonden.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 18 mei 2004. Appellante is daar wederom in persoon en bijgestaan door mr. Van der Veen verschenen, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. S.T. Dieters, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres en gedaagde als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

“Eiseres, geboren op 14 november 1944, werkte laatstelijk als beeldend kunstenaar. Als gevolg van een auto-ongeval is zij op 10 augustus 1993 voor dit werk uitgevallen. Op 8 februari 1995 heeft eiseres zich - wegens klachten verband houdend met een whiplashletsel - tot verweerder gewend met een verzoek om een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).

Aanvankelijk werd haar deze uitkering bij besluit van 9 juni 1995 geweigerd.
Met zijn besluit van 15 april 1998 heeft verweerder, op grond van bij eiseres destijds ook bestaande depressies, alsnog besloten aan eiseres met ingang van 10 augustus 1994 een uitkering ingevolge de AAW toe te kennen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Verweerder heeft bij besluit van 3 september 1998 de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van 3 november 1998 gesteld op minder dan 25% en haar uitkering met ingang van die datum ingetrokken.

Eiseres heeft tegen dit besluit op 6 oktober 1998 bezwaar gemaakt, waarna zij op 18 februari 1999 is gehoord.

Bij zijn thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd nog volledig arbeidsongeschikt te zijn vanwege ernstige psychische klachten.
Zij acht zich daarin gesteund door haar behandelend psychiater C.A.F. Nijenhuis.”

De Raad voegt daaraan het volgende toe. Gedaagdes verzekeringsarts W.J. Reilman heeft in zijn rapport van 13 juli 1998 aangegeven op grond van het ingestelde onderzoek, waarvan deel uitmaakte het inwinnen van informatie bij de behandelend psychiater C.A.F. Nijenhuis en het doen opstellen van een expertiserapport door psychiater W.H.J. Mutsaers, primair van oordeel te zijn dat er ten aanzien van appellante geen beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek meer vallen aan te geven. Niettemin heeft deze verzekeringsarts een belastbaarheidspatroon opgesteld waarin naast zekere beperkingen op lichamelijk gebied is aangegeven dat voor appellante het werken onder tijdsdruk is toegestaan, mits dit niet excessief is. Gedaagdes arbeidsdeskundige E. van Dijk heeft vervolgens geconcludeerd dat er ten aanzien van appellante, bij gebreke van beperkingen die voortvloeien uit ziekte of gebrek, geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetgeving.

De Raad begrijpt de op vorenomschreven - innerlijk niet volledig consistente - verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige benadering berustende besluitvorming van gedaagde aldus dat gedaagde in elk geval het standpunt inneemt dat appellante per de in geding zijnde datum 3 november 1998 weer volledig geschikt is te achten voor haar eigen werkzaamheden als kunstenares.

Appellante heeft daarentegen in de loop van de procedure een en andermaal naar voren doen brengen dat zij zich, in het bijzonder als gevolg van ernstige klachten op het psychische vlak, niet in staat acht tot het verrichten van haar eigen werkzaamheden, in elk geval niet gedurende hele dagen.

De rechtbank heeft uit de haar ter beschikking staande medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat appellante op de in geding zijnde datum zodanige beperkingen in objectief medische zin had dat zij niet in staat was haar eigen werkzaamheden gedurende hele dagen te verrichten. Te meer, aldus de rechtbank, daar appellante in dat werk grotendeels zelf de ruimte en de tijd kan creëren om op haar eigen wijze te werken, zodat met aspecten - als tijdsdruk en hiërarchie - die tot decompensatie kunnen leiden voldoende rekening is gehouden.

In hoger beroep heeft appellante ter onderbouwing van haar standpunt het in rubriek I vermelde rapport ingebracht van psychiater Van Tilburg, die appellante op grond van beperkingen als gevolg van een ernstig depressief toestandsbeeld op de datum in geding buiten staat acht tot het in een voltijdse omvang verrichten van arbeid.

De Raad heeft aanleiding gevonden om psychiater Koerselman als onafhankelijk deskundige te raadplegen. Blijkens zijn in rubriek I vermelde rapport is deze deskundige tot de conclusie gekomen dat appellante lijdende is aan een recidiverende depressieve stoornis. Ten tijde van het onderzoek was deze stoornis volledig in remissie, maar ten tijde van de in dit geding van belang zijnde datum 3 november 1998 was er sprake van ziekte of gebrek in de vorm van een depressieve episode welke naar het oordeel van deze deskundige als ernstig kan worden geclassificeerd. In verband hiermee kan Koerselman zich niet volledig vinden in de door gedaagdes verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Onder verwijzing naar de op het FIS-formulier opgenomen beperking voor werken onder ernstige tijdsdruk, heeft Koerselman aangegeven dat men tijdens een depressieve episode mede door een gebrek aan energie - inderdaad - minder goed kan werken onder tijdsdruk. Voorts heeft hij zich kunnen stellen achter de ook op dat formulier opgenomen beperking dat appellante niet mag werken in wissel-, ploegen- of nachtdiensten, daar een omgekeerd dag- en nachtritme een negatief effect kan hebben op een depressie. Verder passen, aldus Koerselman, bij een depressieve episode concentratiestoornissen. Ook bij appellante was dit aan de orde, in verband waarmee conflicterende functie-eisen een probleem zouden kunnen opleveren. Ook ervaart appellante tijdens een depressieve episode hyperaesthesie, waardoor zij eveneens beperkt is ten aanzien van werken in een lawaaierige omgeving. Koerselman heeft ten slotte nog opgemerkt zich niet uit te spreken over de vraag of appellante op de datum in geding al dan niet geschikt was voor haar eigen arbeid als beeldend kunstenaar, aangezien hij niet beschikt over de functieomschrijving daarvan.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij, in lijn met de betekenis die ingevolge zijn vaste rechtspraak toekomt aan het oordeel van een door de rechter geraadpleegde onafhankelijk deskundige, evenvermelde conclusies van de deskundige Koerselman inzake de voor appellante op de datum in geding geldende medische beperkingen overneemt. De Raad merkt hierbij nog op dat die conclusies van de zijde van appellante niet als zijnde onjuist en/of onvolledig zijn bestreden, terwijl gedaagde, bij monde van zijn bezwaarverzekeringsarts Van Bruggen, juist expliciet heeft aangegeven die conclusies te willen overnemen.

Er aldus alsnog van uitgaande dat voor appellante beperkingen gelden op de aspecten 28 A (tijdsdruk), 28 D (conflicterende functie-eisen) en 28 I (lawaaierige omgeving), heeft gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige Van Dam blijk gegeven van zijn oordeel dat en waarom die beperkingen de bij het bestreden besluit aangenomen volledige geschiktheid van appellante voor haar eigen werk niet aantasten. Een autonoom beeldend kunstenaar is, aldus deze arbeidsdeskundige, een in alle opzichten vrij beroep, bij de uitoefening waarvan de kunstenaar, in dit geval appellante, zodanige keuzes kan maken met betrekking tot onder meer aspecten als dagindeling, werkplanning, inbouwen van rustmomenten etc. dat er geen conflicten behoeven te ontstaan met de hiervoor genoemde beperkingen van appellante.

Van de zijde van appellante wordt dit op zich niet bestreden, maar is erop gewezen dat de door de bezwaararbeidsdeskundige in ogenschouw genomen aspecten uitsluitend de meer technische kant van het uitvoerend werk van een kunstenaar betreffen. Niet die technische aspecten, maar de bij het scheppen van kunst nu eenmaal zo belangrijke creatieve component vormt naar de opvatting van appellante evenwel haar kernprobleem; als gevolg van haar ernstige depressie ervoer zij juist op dit creatieve vlak beperkingen bij het uitoefenen van haar werkzaamheden.

De Raad volgt de hiervoor weergegeven zienswijze van gedaagde. De Raad heeft hierbij in de eerste plaats in aanmerking genomen dat uit het rapport van de deskundige Koerselman niet naar voren komt dat appellante, ook al maakte zij ten tijde hier van belang een depressieve episode door welke als ernstig valt te classificeren, zodanig beperkt was dat zij in het geheel niet in staat was tot het verrichten van arbeid. Zoals hiervoor al is aangegeven gaat de Raad met Koerselman ervan uit dat appellante uitsluitend beperkt was te achten op de hiervoor met name genoemde belastbaarheidsaspecten. Voorts is de Raad van oordeel dat van de zijde van gedaagde - en ook door de rechtbank - terecht is gewezen op de grote mate van vrijheid die appellante geacht moet worden te hebben bij de wijze waarop zij haar werkzaamheden inricht en uitvoert. Gelet hierop gaat ook de Raad ervan uit dat evengenoemde beperkingen van appellante geen belemmering behoefden op te leveren bij het uitoefenen van haar werkzaamheden als beeldend kunstenares. Hierbij heeft de Raad ten slotte in aanmerking genomen dat voor de hiervoor weergegeven stelling van appellante, inzake de invloed van haar aandoening op het creatieve proces, in het rapport van de deskundige Koerselman geen aanknopingspunten zijn te vinden.

De Raad komt aldus tot de slotsom dat appellante op de datum in geding terecht geschikt is geacht voor haar eigen werkzaamheden. In dit oordeel ligt besloten dat de Raad het niet noodzakelijk acht om met betrekking tot die geschiktheidsvraag Koerselman opnieuw te benaderen, zoals van de zijde van appellante is verzocht.

Uit het vorenoverwogene volgt dat gedaagde bij het bestreden besluit terecht appellantes WAZ-uitkering met ingang van 3 november 1998 heeft ingetrokken. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient daarom te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x