Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AQ5480
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht; na bezwaar toekenning van een WAZ-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Berust het bestreden besluit in medisch en arbeidskundig opzicht op een juiste grondslag? Heeft de verzekeringsarts een rechtens te honoreren verwachting gewekt dat betrokkene op de datum in geding 80 tot 90% arbeidsongeschikt was te achten?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/3969 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 18 januari 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat appellant na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 13 januari 2000 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit van 31 mei 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2001 gegrond verklaard en aan appellant met ingang van 13 januari 2000 een uitkering ingevolge de WAZ toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 25 juni 2002, nr. SBR 01/1298, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. P.A.C.A. Jansen, werkzaam bij V.d. Burgt Groep Accountants en Belastingadviseurs te Houten, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop mr. Jansen, voornoemd, heeft gereageerd. Gedaagde heeft vervolgens bij brief van 9 maart 2004 nadere informatie verstrekt.

Bij schrijven van 2 juni 2004 heeft appellant nadere medische gegevens ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. F. Landwaart, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de navolgende feiten en omstandigheden, welke ook hij als vaststaand aanneemt:

"Eiser is als zelfstandige werkzaam geweest in zijn garagebedrijf. Hij is op 15 januari 1999 voor dit werk uitgevallen als gevolg van een inklemming/aantasting van het verticale ruggenmerg.
In het kader van de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid bij het einde van de wachttijd van 52 weken heeft de verzekeringsarts F. Dekker (hierna: de verzekeringsarts) eiser op 3 oktober 2000 onderzocht en vastgesteld dat eiser neurologische prikkelings- en uitvalsverschijnselen heeft die kunnen passen bij een aantasting van het cervicale ruggenmerg- of de zenuwwortels. De nek en benen vertonen een functiestoornis. De verzekeringsarts heeft eiser minder belastbaar geacht op de aspecten lopen, traplopen, klimmen, klauteren, knielen, kruipen en het draaien van de nek en deze beperkingen aangegeven op het Functie informatiesysteem va/ad (Fis-scoreformulier).
In het rapport van 15 januari 2001 heeft de arbeidsdeskundige G.J.J.M. Verhaagh-Sieben (hierna: de bezwaararbeidsdeskundige) voor eiser passende functies geselecteerd en berekend dat eisers verlies aan verdiencapaciteit op grond van deze functies minder dan 25% bedraagt.
Op grond van deze gegevens heeft verweerder bij besluit van 18 januari 2001 geweigerd aan eiser een WAZ-uitkering toe te kennen.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts M.E. van Liere (hierna de bezwaarverzekeringsarts) op 31 mei 2001 een rapport uitgebracht. Op grond van het bezwaarschrift, het rapport van de verzekeringsarts en de door eiser overgelegde medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat voor eiser meer beperkingen moeten worden aangenomen op de aspecten staan en lopen. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts aangenomen dat eiser maximaal vier uur met arbeid belastbaar is aangezien zijn chronische pijn energie vraagt, waardoor hij sneller vermoeid is. Op grond van het door de bezwaarverzekeringsarts bijgestelde Fis-scoreformulier heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd met de voor eiser vastgestelde maximale urenomvang. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat op grond van deze functies eisers verlies aan verdiencapaciteit 55,71 bedraagt.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eiser met ingang van 13 januari 2000 een WAZ-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%."

De rechtbank heeft, kort weergegeven, geoordeeld dat het bestreden besluit in medisch en arbeidskundig opzicht op een niet onjuiste grondslag berust. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat door gedaagde(s verzekeringsarts) een rechtens te honoreren verwachting is gewekt dat appellant op 13 januari 2000 80 tot 90% arbeidsongeschikt was te achten.

In hoger beroep is evenals in de procedure bij de rechtbank aangevoerd dat uit de beschikbare medische informatie moet worden geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 80 tot 90% bedraagt en dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een dergelijke mate van arbeidsongeschiktheid ook door de verzekeringsarts F. Dekker zou zijn toegezegd. Voorts is een brief van 1 maart 2002 van de neuroloog H.J. Schelhaas in het geding gebracht, waaruit valt op te maken dat deze neuroloog een neuroborelliose in de zin van een polyradiculopathie als medeoorzaak van de klachten van appellant niet uitsluit.

Wat betreft het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank volledig. Ook hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden of tot het instellen van een nader medisch onderzoek. De Raad neemt daarbij in aanmerking het ter zitting van de Raad met toestemming van appellant door de gemachtigde van gedaagde overgelegde commentaar van 17 juni 2004 van de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel. Deze bezwaarverzekeringsarts geeft in zijn reactie op eerdergenoemde brief van de voornoemde neuroloog Schelhaas onder meer aan dat, los van de oorzaak van de klachten, de door de bezwaarverzekeringsarts M.E. van Liere vastgestelde beperkingen voldoende tegemoet komen aan de klachten van appellant.

Al het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak mitsdien voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x