Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AQ6959
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Is het uitgangspunt van 40 gewerkte uren per week voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid voldoende onderbouwd en juist?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2215 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft bij besluit van 15 juni 2000 op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) geweigerd gedaagde met ingang van 29 november 1999 een uitkering toe te kennen.

Bij besluit van 27 september 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2000 gegrond verklaard en geweigerd aan gedaagde met ingang van 1 juli 1996 een uitkering ingevolge de WAZ toe te kennen.

De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak van 4 april 2002, nummer Awb 01/627, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt, met bepaling dat appellant het griffierecht vergoedt.

Appellant heeft tegen deze uitspraak op bij beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 juni 2004, waar namens appellant is verschenen mr. J.Z. Groenenberg, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door F.J.R. de Nijs.




II. MOTIVERING


Gedaagde, werkzaam als zelfstandig polyesterverwerker, heeft op 21 maart 2000 een aanvraag ingevolge de WAZ ingediend in verband met op 1 december 1998 ontstane arbeidsongeschiktheid wegens nekklachten.

Bij besluit van 15 juni 2000 heeft appellant afwijzend op deze aanvraag beslist, oordelend dat gedaagde na ommekomst van de op 1 december 1998 ingegane wachttijd minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Dit besluit berust op een medische beoordeling, waarbij voor gedaagde in verband met zijn klachten beperkingen zijn vastgesteld. Op basis van deze beperkingen heeft de arbeidsdeskundige gedaagde geschikt geacht voor een aantal geselecteerde functies met een loonwaarde die na vergelijking met het maatmaninkomen leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 12,63%. De arbeidsdeskundige heeft daarbij het maatmaninkomen per uur berekend door de gemiddelde bedrijfswinst in de drie jaar voorafgaand aan 1 december 1998 te delen door een aantal van 20 gewerkte uren per week.

Na door gedaagde ingesteld bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts, na het ontvangen van inlichtingen uit de behandelende sector, de aanvang van de - blijvende - arbeidsongeschiktheid van gedaagde gesteld op 1 juli 1995.

Hierop is het bestreden besluit gevolgd, waarin, onder gegrondverklaring van het bezwaar, de aanvang van de arbeidsongeschiktheid is gesteld op 1 juli 1995, doch tevens is beslist tot weigering van uitkering ingaande 1 juli 1996. Dit besluit berust wat de arbeidskundige component betreft op een nieuwe berekening van het maatmaninkomen per uur, waarbij de gemiddelde bedrijfswinst in de de drie jaren voorafgaand aan 1 juli 1995 is gedeeld door een aantal van 40 gewerkte uren per week, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 16,6%.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd onder overweging dat appellant onvoldoende zijn standpunt heeft onderbouwd dat gedaagde voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, 1 juli 1995, voor 40 uur werkzaam was. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat gedaagde weliswaar zelf heeft opgegeven dat hij 40 uur werkte, doch tevens heeft gesteld dat hij bij het doen van die opgave door medicijngebruik versuft was en in feite hooguit 3 4 uur werkzaam was. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat volgens de bezwaarverzekeringsarts de eerste arbeidsongeschiktheidsdag al in 1993 ligt, dat er medio 1995 een exacerbatie van de klachten was welke nooit meer geheel zijn verdwenen en dat gedaagde vanwege diezelfde aanhoudende klachten op 4 oktober 2000 volledig arbeidsongeschikt is geacht.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad gaat, evenals de rechtbank, uit van 1 juli 1995 als de datum van aanvang van de arbeidsongeschiktheid. De Raad wijst er in dit verband op dat deze datum niet gemotiveerd is betwist en dat er bij gedaagde weliswaar ook in 1993 sprake is geweest van tot arbeidsongeschiktheid leidende klachten, doch volgens de analyse van de bezwaarverzekeringsarts, welke mede berust op informatie verkregen van de huisarts, niet gedurende een lange periode.

Ten aanzien van het aantal gewerkte uren voorafgaand aan die eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft gedaagde in de eerste plaats een aantal van 40 50 genoemd in zijn aanvraagformulier van 21 maart 2000, waar het uitgangspunt nog was arbeidsongeschiktheid ontstaan op 1 december 1998. De Raad wijst er in dit verband op dat de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd heeft aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat gedaagde ten tijde van die aanvraag de geestvermogens miste om de aanvraag goed in te vullen. Gedaagde heeft de opgave van 40 50 uur herhaald tijdens een onderzoek op 23 mei 2000 door de verzekeringsarts, terwijl hij op de hoorzitting op 15 november 2000 heeft verklaard dat de teruggang naar 3 uur per dag plaatsvond in 1996/1997. Ook in antwoord op een hem op 19 juni 2000 door de bezwaararbeidsdeskundige telefonisch gestelde vraag heeft hij verklaard dat hij tot 1996 40 uur werkte, en daarna gedurende minder uren. De Raad acht op grond van deze in dezelfde lijn liggende verklaringen voldoende aannemelijk dat er in elk geval niet vr de nu in geding zijnde datum 1 juli 1995 sprake is geweest van een teruggang in uren, daarbij nog opmerkend dat er vanaf het jaar 1995 sprake is geweest van een teruggang in de bedrijfswinsten, welke met een teruggang in gewerkte uren verband zou kunnen houden.

De Raad acht op grond hiervan, anders dan de rechtbank, het uitgangspunt van 40 gewerkte uren voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid voldoende onderbouwd en ook juist. Nu er voor het overige in hoger beroep geen geschilpunten aan de orde zijn brengt dit mee dat onder vernietiging van de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand dient te worden gelaten.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2004.

(get.) J.Janssen.

(get.) J.P. Grauss.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x