Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AQ7384
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-08-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Acht betrokkene zichzelf terecht zodanig beperkt dat hij niet in staat is zijn resterende mogelijkheden nog op een als duurzaam te omschrijven wijze te benutten en stelt hij terecht dat de bij de schatting gebruikte functies gezien zijn opleiding en leeftijd niet voor hem geschikt zijn te achten? Berekening van het maatmaninkomen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/1418 WAZ en 02/1468 WAZ




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: het Uwv.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 17 mei 2000 heeft het Uwv geweigerd om betrokkene in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), op de grond dat hij op en na 30 december 1998 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit van 25 januari 2001 heeft het Uwv het namens betrokkene door mr. C.F.M. van den Ekart, werkzaam bij het Bureau voor Rechtshulp Zuid-Holland Zuid, gevestigd te Dordrecht, tegen het besluit van 17 mei 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 25 januari 2002, reg.nr. AWB 01/286, het namens betrokkene tegen het besluit van 25 januari 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit neemt, met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Tevens heeft de rechtbank aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Namens betrokkene is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Ook het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. De gronden van dat hoger beroep zijn aangevoerd bij aanvullend beroepschrift.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 juni 2004, voorzien van bijlagen, heeft de gemachtigde van betrokkene zowel de gronden van het hoger beroep als van het verweer (nader) aangevuld. Het Uwv heeft daarop een reactie gegeven bij brief van 23 juni 2004.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 juni 2004, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Ekart, en waar namens het Uwv met voorafgaand bericht niemand is verschenen.




II. MOTIVERING


Betrokkene, die samen met zijn echtgenote een café annex petit-restaurant heeft geëxploiteerd - de zaak is in april 1998 verkocht - heeft in december 1999 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de WAZ, in verband met een door hem gestelde, sedert (arbitrair) 1 januari 1998 bestaande, arbeidsongeschiktheid als gevolg van diverse lichamelijke klachten.

De verzekeringsarts van het Uwv heeft een onderzoek ingesteld en is daarbij tot de conclusie gekomen dat er voor betrokkene verschillende beperkingen vallen aan te geven. Daarbij heeft de verzekeringsarts, mede gelet op van de huisarts van betrokkene verkregen informatie, de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van betrokkene bepaald op 1 maart 1998.

De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft geoordeeld dat betrokkene, gegeven de door de verzekeringsarts in aanmerking genomen beperkingen, niet langer geschikt is te achten voor de eigen (vroegere) werkzaamheden als zelfstandige, maar nog wel in staat is tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de op basis van raadpleging van het Functie Informatie Systeem geselecteerde loondienstfuncties. Hij heeft vervolgens het maatmaninkomen van betrokkene vastgesteld aan de hand van de bedrijfswinst over de jaren 1997, 1995 en 1994, waarbij het jaar 1996 buiten aanmerking is gelaten vanwege een in dat jaar - als gevolg van bestratingswerkzaamheden - gerealiseerde lage winst. Voorts is hij, wat betreft de winstverdeling tussen betrokkene en diens echtgenote, uitgegaan van een verdeelsleutel van 3:2. Het aldus gevonden aan betrokkene toe te rekenen winstdeel op jaarbasis is daarna omgerekend naar een maatgevend inkomen per uur, waarbij ervan is uitgegaan dat betrokkene per jaar 52 weken werkzaam was en per week 60 uur. De arbeidsdeskundige heeft, het op vorenomschreven wijze op f 8,59 bruto per uur berekende maatmaninkomen afzettend tegen een resterende verdiencapaciteit van f 12,82 per uur, geconcludeerd dat er geen sprake is van enig verlies aan verdienvermogen.

Het Uwv heeft bij het primaire besluit van 17 mei 2000 de gevraagde WAZ-uitkering geweigerd op de grond dat betrokkene na ommekomst van de wettelijke wachttijd van
52 weken, op en na 30 december 1998, minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

Van de zijde van betrokkene zijn in bezwaar verschillende grieven tegen dat besluit naar voren gebracht. Hij meent in de eerste plaats dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Hij acht zichzelf zodanig beperkt dat hij niet in staat is zijn resterende mogelijkheden nog op een als duurzaam te omschrijven wijze te benutten. Voorts meent betrokkene dat zijn maatmaninkomen onjuist is berekend, in welk verband hij naar voren heeft gebracht dat het Uwv ook het jaar 1993 - waarin hij een aanmerkelijk hoger inkomen heeft gerealiseerd - in de beoordeling had dienen te betrekken, dat ten onrechte is uitgegaan van 52 werkweken per jaar in plaats van 48 werkweken, dat ten onrechte is uitgegaan van 60 werkuren per week in plaats van 45 uren, dat de gebruikte verdeelsleutel van 3:2, zoals toegepast bij de verdeling van de winst tussen hem en zijn echtgenote, niet juist is en dat voor wat betreft het jaar 1997 is uitgegaan van een foutief winstbedrag. Ten slotte heeft betrokkene gesteld dat de bij de schatting gebruikte functies gezien zijn opleiding en leeftijd niet voor hem geschikt zijn te achten.

De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien om de bevindingen en conclusies van de primaire verzekeringsarts niet juist te achten.
De bezwaararbeidsdeskundige heeft, in hoofdlijnen weergegeven, de grieven van betrokkene deels verworpen en daarnaast aangegeven dat indien de overige grieven zouden worden gevolgd, zulks niet tot een voor de toepassing van de WAZ relevant te achten verschil in uitkomst leidt, in die zin dat het resultaat van de schatting minder dan 25% arbeidsongeschikt blijft.

Bij het bestreden besluit is vervolgens het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft betrokkene, onder meezending van zijn aanvullend bezwaarschrift, zijn hiervoor weergegeven bezwaren gehandhaafd.

De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat het Uwv bij zijn besluitvorming in strijd met het door hem gevoerde beleid de datum 1 januari 1998 als eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft gehanteerd. Uitgangspunt van dat beleid zou namelijk zijn dat in beginsel de opgave van de betrokkene wordt gevolgd - in casu 1 januari 1998 - maar dat in gevallen waarin de verzekeringsarts in zijn rapport een andere datum als eerste dag van arbeidsongeschiktheid aanneemt - zoals in het onderhavige geval is gebeurd nu de verzekeringsarts het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft bepaald op 1 maart 1998 - in principe van die andere datum wordt uitgegaan. Nu evenwel, aldus de rechtbank, niet is gebleken dat betrokkene door de handelwijze van het Uwv is benadeeld, is er geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

In de tweede plaats heeft de rechtbank overwogen dat ten aanzien van de grondslag van de uitkering van betrokkene is gebleken dat het Uwv is uitgegaan van de winst in drie aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid voorafgegane boekjaren, waarbij het jaar 1996 buiten beschouwing is gelaten. Hoewel deze maatstaf ten behoeve van de grondslagvaststelling is terug te voeren op jurisprudentie, stelt de rechtbank vast dat die jurisprudentie is gebaseerd op de grondslagvaststelling van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De WAZ kent echter, aldus de rechtbank, in artikel 8 een andere regeling ten behoeve van het vaststellen van de voor de grondslag van de WAZ-uitkering in aanmerking te nemen winst. Gebleken is dat het Uwv die regeling in het onderhavige geval niet heeft toegepast. Reeds om die reden bestaat er, aldus de rechtbank, aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank heeft daaraan nog toegevoegd dat niet meer wordt toegekomen aan een bespreking van de door betrokkene aangevoerde gronden.

Het hoger beroep van betrokkene, zoals de gronden daarvan zijn uiteengezet bij het aanvullend beroepschrift van 26 april 2002, heeft betrekking op het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank inzake de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Aangevoerd is dat de rechtbank heeft aangegeven dat de verzekeringsarts in afwijking van het beleid is uitgegaan van 1 maart 1998 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, terwijl betrokkene 1 januari 1998 heeft opgegeven, maar dat hij daardoor niet zou zijn benadeeld. Betrokkene is van oordeel dat de juiste vaststelling van zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag wel relevant is voor de beoordeling van zijn aanspraken op een WAZ-uitkering en is derhalve van mening dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is en op dit punt dient te worden gecorrigeerd. Daarnaast heeft betrokkene te kennen gegeven van mening te zijn dat de rechtbank ten onrechte de overige aangevoerde gronden niet heeft behandeld, als gevolg waarvan het Uwv onvoldoende aanwijzingen heeft voor het nemen van een nieuw besluit.

Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen de hiervoor weergegeven overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank met betrekking tot de grondslagvaststelling. In essentie is aangevoerd dat het erop lijkt dat de rechtbank hier de begrippen “grondslag” en “maatmaninkomen” heeft verward.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van het Uwv slaagt. Inderdaad heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak de begrippen grondslag en maatmaninkomen door elkaar gehaald. Anders dan de rechtbank meent bevat artikel 8 van de WAZ geen voorschriften met betrekking tot de wijze waarop het maatmaninkomen dient te worden berekend, maar uitsluitend met betrekking tot de grondslag waarnaar de uitkering dient te worden berekend. De Raad voegt daaraan nog toe dat, naar hij vaker heeft overwogen, er geen aanleiding bestaat om in het kader van de WAZ de vaststelling van het maatmaninkomen van een zelfstandige anders te benaderen dan in het kader van de AAW. Hiermee is tevens gegeven dat de rechtspraak zoals die in het kader van artikel 5 van de AAW is gevormd inzake de wijze van vaststelling van het maatmaninkomen van een zelfstandige, evenzeer nog relevant is te achten voor de vaststelling van het maatmaninkomen van een zelfstandige in het kader van artikel 2 van de WAZ.

De Raad stelt aldus vast dat de rechtbank het bestreden besluit op onjuiste gronden heeft vernietigd. Ten onrechte is de rechtbank niet toegekomen aan een beoordeling van de namens betrokkene naar voren gebrachte grieven van medische en arbeidskundige aard, zoals hiervoor weergegeven. Mede gelet op de dienaangaande - desverzocht - namens betrokkene ter zitting uitgesproken voorkeur - in het bijzonder ingegeven door de wens bij de beoordeling van al zijn tegen het bestreden besluit levende bezwaren geen rechterlijke instantie te verliezen - ziet de Raad aanleiding om de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank Dordrecht.

Met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene inzake de eerste arbeidsongeschiktheidsdag overweegt de Raad als volgt. Van de zijde van betrokkene is ter zitting erkend dat de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak besproken kwestie of, in het licht van het door het Uwv gevoerde beleid, bij de bepaling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag kan worden afgegaan op de eigen opgave van een betrokkene, dan wel of dient te worden uitgegaan van een daarvan afwijkend oordeel van de verzekeringsarts - in het onderhavige geval neerkomend op de keuze tussen
1 januari 1998 en 1 maart 1998 als de te hanteren eerste arbeidsongeschiktheidsdag - voor de beoordeling van zijn aanspraken op een uitkering - inderdaad - minder relevant is te achten. Expliciet is namens betrokkene aangegeven dat, waar het uitsluitend zou gaan om de keuze tussen evenvermelde beide datums, hij wel kan leven met 1 januari 1998 zoals in het bestreden besluit tot uitgangspunt is genomen en ook door de rechtbank is aanvaard, althans in die zin dat de rechtbank aan de keuze van die datum, hoewel naar het oordeel van de rechtbank beleidsmatig onjuist, geen gevolgen heeft verbonden voor de houdbaarheid van het bestreden besluit.

Vastgesteld moet aldus worden dat betrokkene geen belang heeft bij een beoordeling van de namens hem in hoger beroep aangevoerde grief, welke grief overigens, zo wil de Raad niet nalaten daaraan toe te voegen, blijkens hetgeen bij het aanvullend beroepschrift van 26 april 2002 alsmede bij het verweerschrift van 7 mei 2002 naar voren is gebracht, lijkt te berusten op een verkeerde lezing van de desbetreffende overwegingen in de aangevallen uitspraak.

De Raad merkt in dit verband voorts nog het volgende op. Naderhand, bij schrijven van 16 juni 2004, waarin de gronden van zowel het hoger beroep als het verweer nader zijn aangevuld als ook ter zitting van de Raad, is namens betrokkene de stelling naar voren gebracht dat hij bij nader inzien - in afwijking van de eigen oorspronkelijke opgave - van oordeel is dat zijn arbeidsongeschiktheid aanzienlijk eerder is ingetreden dan eerst per 1 januari 1998 en dat hij na het ontstaan van zijn klachten en beperkingen nog geruime tijd zo goed en zo kwaad als dat ging heeft doorgewerkt alvorens definitief te stoppen in 1998. De Raad acht het in de rede te liggen dat de rechtbank deze nadere opvatting van betrokkene meeneemt in haar beoordeling.

De Raad komt evenmin toe aan een beoordeling van de grief van betrokkene dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de overige namens hem ingediende bezwaren tegen het bestreden besluit. Nu de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank, is ook het belang aan een beoordeling van deze grief komen te ontvallen.

Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het geding terug naar de rechtbank Dordrecht.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x