Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AR3860
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Er is geen sprake van overschrijding van de belastbaarheid ten aanzien van de geselecteerde functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/356 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een op 2 december 2002 door de rechtbank Roermond tussen partijen gegeven uitspraak (nr. 2002/349 WAZ) waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 augustus 2004, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant was werkzaam als zelfstandig garagehouder toen hij op 15 mei 2001 een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering indiende, daarbij stellende sedert ongeveer juli 1993 arbeidsongeschikt te zijn. Gedaagde weigerde appellant bij besluit van 29 oktober 2001 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder de overweging dat appellant na de voorgeschreven wachttijd van 52 weken op en na 29 juni 1999 minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ is te achten. Bij besluit van 25 maart 2002 (het bestreden besluit) verklaarde gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond.

De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat gedaagde zijn belastbaarheid heeft overschat en dat de rechtbank ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan de rapporten van medisch adviseur Van den Hatert en neuroloog Aànen. Verder acht appellant de gegeven motivering bij de diverse asterisken onvoldoende en is hij van mening dat de functies inpakker en herverpakker tricotproducten onvoldoende realiteitswaarde hebben, omdat de functie welke gedurende 37 uur wordt verricht slechts drie arbeidsplaatsen kent en de functies niet identiek zijn qua salariëring.

De Raad overweegt het volgende.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de wijze waarop de aan het bestreden besluit liggende medische beoordeling tot stand is gekomen voldoende zorgvuldig is en dat de rapporten van Van den Hatert en Aenen onvoldoende aanleiding geven om te twijfelen aan het resultaat van die medische beoordeling. De Raad kan zich in dit verband volledig vinden in het betoog van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen in diens rapport van 13 september 2002.

De Raad is voorts van oordeel dat de belasting van de voor appellant geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. De Raad stelt daarbij vast dat drie van de vier geselecteerde op één enkel aspect een belasting laten zien die hoger is dan de belastbaarheid van appellant op dat aspect. De verzekeringsarts J.J.P.A. Smijers heeft echter op afdoende wijze gemotiveerd waarom die functies desalniettemin voor appellant geschikt moeten worden geacht.

Ten aanzien van de door appellant opgeworpen grief dat de functies inpakker en herverpakker tricotproducten onvoldoende realiteitswaarde hebben overweegt de Raad het volgende. De functies inpakker en herverpakker tricotproducten zijn twee functies binnen dezelfde Functiebestandscode (fb-code) 7958. De functie inpakker is een functie voor 19 uur per week en omvat zes arbeidsplaatsen. De functie herverpakker tricotproducten is een functie voor 37 uur per week en kent drie arbeidsplaatsen. De Raad is geen bepaling of jurisprudentie bekend op basis waarvan deze twee functies niet in één fb-code opgenomen mogen worden omdat het uurloon of de omvang van de respectievelijke functies niet gelijk is. Gelet op de uitgangspunten van het Functie Informatie Systeem (FIS) kunnen in één fb-code verschillende functies worden ondergebracht, indien de aan die functies verbonden werkzaamheden voor ten minste 65% met elkaar overeenstemmen. Ook overigens is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de schatting onvoldoende realiteitswaarde heeft. Naast de hiervoor genoemde functies liggen aan de schatting ook ten grondslag de functie operator voor 36 uur per week en omvattende 30 arbeidsplaatsen, alsmede de functie chauffeur taxibusje voor 20 uur per week en omvattende 40 arbeidsplaatsen. Aan de schatting liggen derhalve vier functies in drie fb-codes ten grondslag, die gezamenlijk tenminste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en per fb-code minimaal zeven arbeidsplaatsen omvatten. De Raad constateert voorts dat de berekening van de resterende verdiencapaciteit van appellant is verlopen aan de hand van de zogeheten stap 3 als bedoel in het Besluit uurloonschatting (Besluit van 11 februari 1999, Stcrt. 1999, 40), waarbij, uitgaande van een omvang van de maatmanfunctie van 45 uur, de reductiefactor is gesteld op 20/45. Appellant is naar het oordeel van de Raad met toepassing van deze reductiefactor niet te kort gedaan.

Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde naar voren gebracht dat het FIS opnieuw is geraadpleegd in verband met het feit dat uit de arbeidsmogelijkhedenlijst is gebleken dat alle aan de schatting ten grondslag liggende functies een actualiteitsdatum kennen, die na de datum in geding is gelegen. Uit dat onderzoek is volgens de gemachtigde van gedaagde naar voren gekomen dat alle vier functies eerder zijn geactualiseerd op respectievelijk 4 december 1998, 26 mei 1998, 30 maart 1999 en 28 mei 1999.
De belasting in die functies is volgens de gemachtigde van gedaagde identiek aan de belasting in de geselecteerde functies, terwijl de uurlonen ten tijde van de zojuist genoemde actualisering niet hoger lagen dan bij de latere actualisering. De Raad stelt dat met inachtneming van deze gegevens in voldoende mate vaststaat dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies op de arbeidsmarkt voorkwamen ten tijde in dit geding van belang.

Nu de grieven van appellant niet slagen en de Raad ook overigens geen aanleiding ziet om het bestreden besluit niet juist te achten, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. Bos.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x