Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AS3999
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Berekening van de grondslag van de WAZ-uitkering op grond van artikel 8, dertiende lid, van de WAZ. Meewerkend echtgenote.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/627 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 4 januari 2002 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) (bestreden besluit).

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 6 januari 2003 (02/314 WAZ) het beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft op in het beroepschrift - met bijlagen - vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.H.W. Verberne, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is werkzaam geweest als schoenmaker in loondienst. Na ontslag heeft hij vanaf 27 juli 1995 een uitkering ontvangen ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Naast zijn dienstbetrekking is appellant werkzaam geweest als zelfstandig werkend orthopedisch schoenmaker. Deze onderneming heeft hij ten tijde van de WW-uitkering voortgezet.
Appellant heeft zich in verband met een herseninfarct per 26 januari 1999 arbeidsongeschikt gemeld. Aan hem is ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een uitkering toegekend met ingang van 25 januari 2000 naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100%.
Bij besluit van 17 januari 2000 heeft gedaagde tevens vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAZ 80-100% is. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 januari 2000 wegens de daarin vastgelegde grondslag voor de WAZ-uitkering.

Bij het thans in geding zijnde bestreden besluit op het bezwaar heeft gedaagde beslist dat de grondslag voor de WAZ-uitkering wordt gevormd door artikel 8, dertiende lid, van de WAZ. Deze bepaling houdt onder meer in dat, indien de WAZ-verzekerde op de dag van het intreden van de arbeidsongeschiktheid recht had op een WW-uitkering, het bedrag van de grondslag voor de WAZ-uitkering, gedeeld door 261, wordt verminderd met het bedrag van de WW-uitkering waarop de verzekerde recht had op de dag voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
In verband met deze bepaling heeft de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof bij rapport van 18 december 2001 de WAZ-grondslag met betrekking tot appellant berekend.
In dat rapport stelt Hulshof vast dat de WW-uitkering van appellant op 25 januari 1999, de dag voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, f 118,11 bedraagt. Hij stelt voorts vast dat de relevante jaarwinst over 1998 f 41.880,- bedraagt. Appellant werkt in zijn onderneming samen met zijn echtgenote. De echtgenote wordt geacht gedurende 1225 uren per jaar tegen een uurloon van f 15,- in de onderneming werkzaam te zijn geweest. Appellant wordt geacht 1456 uren per jaar in de onderneming werkzaam te zijn tegen een uurloon van f 50, -. Gelet op deze gegevens wordt van de jaarwinst ongeveer 80% aan appellant toegerekend en 20% aan de echtgenote. Deze toerekening van de jaarwinst leidt tot de vaststelling dat het (geïndexeerde) aandeel van appellant in de jaarwinst over 1998 f 34.310,90 bedraagt. Op dagbasis betekent dit f 131,46. Dit bedrag wordt ingevolge artikel 8, dertiende lid, van de WAZ verminderd met de WW-uitkering op 25 januari 1999 ad f 118,11. Het resultaat is dat de WAZ-grondslag met betrekking tot appellant f 13,35 bedraagt. Het rapport van Hulshof is als bijlage bij het bestreden besluit gevoegd.

Appellant heeft in beroep tegen het bestreden besluit aangevoerd dat gedaagde bij de berekening van de WAZ-grondslag ten onrechte een aftrek heeft toegepast in verband met het meewerken van zijn echtgenote in de onderneming.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de wijze waarop gedaagde de WAZ-grondslag met betrekking tot appellant heeft vastgesteld in overeenstemming is met de van toepassing zijnde wetgeving. De berekeningen zijn voorts niet aangevochten. Het beroep is dan ook ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep zijn grieven herhaald.

De Raad overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet betwist dat de grondslag van de WAZ-verzekering van appellant berekend moet worden op basis van artikel 8, dertiende lid, van de WAZ. De inhoud van deze bepaling is hierboven beschreven. De berekeningen ter zake vanwege gedaagde heeft appellant niet aangevochten.
Kernpunt in dit geding is de vraag of gedaagde terecht bij de berekening van de WAZ-grondslag van appellant een bepaald gedeelte van de jaarwinst (ongeveer 20%) over 1998 heeft toegerekend aan de echtgenote van appellant. In verband met de beantwoording van deze vraag wijst de Raad er op dat ingevolge hoofdstuk 2 van de WAZ over de kring van verzekerden, niet alleen appellant als zelfstandige verzekerd is geweest voor het arbeidsongeschiktheidsrisico. Ingevolge artikel 6 van de WAZ behoort tot de kring van verzekerden ook de echtgenoot die meewerkt in de onderneming van de zelfstandige. Deze echtgenoot is daardoor eveneens verzekerd geweest voor haar arbeidsongeschiktheidsrisico.
Ingevolge deze meeverzekering van de echtgenoot dient bij de vaststelling van de WAZ-grondslag volgens wettelijke regels de jaarwinst aan de zelfstandige en de meewerkende echtgenoot te worden toegerekend. Deze regels staan onder meer in artikel 8, vierde lid, van de WAZ en in het op artikel 8 gebaseerde Inkomensbesluit Waz, dat in artikel 5 de precieze regels geeft voor de berekening van de grondslag van de zelfstandige en de meewerkende echtgenoot.
De Raad stelt vast dat de toerekening van de jaarwinst 1998 in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Hulshof in overeenstemming is met de bedoelde regels.
De Raad concludeert daarom dat de WAZ-grondslag voor appellant is vastgesteld overeenkomstig de wettelijke regels.
De Raad merkt tenslotte op dat de fiscale meewerkaftrek in het onderhavige geval, zoals de rechtbank al heeft gesteld, niet relevant is.
De Raad concludeert tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.P. Grauss.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x