Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AS5223
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Stelt betrokkene terecht dat hij met meer beperkingen wordt geconfronteerd dan door het UWV is aangenomen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1277 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 6 november 2001 heeft gedaagde appellant met ingang van 15 mei 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Bij besluit van 2 april 2002, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 november 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 3 februari 2003, reg.nr. 02/512 WAZ, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. P.A. van Stempvoort, bedrijfsjurist te Alkmaar, op bij beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Van gedaagde is een verweerschrift ontvangen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 december 2004 waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Stempvoort, voornoemd, en waar namens gedaagde A.B. Froentjes, werkzaam bij het Uwv, is verschenen.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, geboren op 23 juni 1946, was als zelfstandige werkzaam in een exportbedrijf voor 40 uur per week. Op 9 februari 2000 heeft appellant zich tot gedaagde gewend met het verzoek hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAZ. Hij maakte hierbij melding van klachten over plotselinge doofheid, concentratiestoornis en een tumor in de hypofyse.

Na een toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering per 30 maart 2000 en vervolgens weer intrekking daarvan per 7 februari 2001 heeft gedaagde, na een nieuwe aanvraag om een uitkering, deze bij het primaire besluit van 6 november 2001 toegekend per 15 mei 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Ter voorbereiding van dit besluit heeft verzekeringsarts F.A. Bekhof, verbonden aan gedaagde, appellant onderzocht en informatie ingewonnen bij de behandelend psycholoog van appellant. Bekhof heeft aanleiding gezien om het belastbaarheidspatroon van appellant ten aanzien van zijn psychische belastbaarheid aan te passen.
Vervolgens heeft gedaagde geoordeeld dat de belastingen in de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaan.

Gemachtigde van appellant erkent dat de behandelend artsen nog geen eenduidige verklaring hebben kunnen vinden voor de fysieke problemen waarmee appellant wordt geconfronteerd, maar stelt zich op het standpunt dat hij zwaardere beperkingen kent dan door gedaagde aangenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verzoekt hij de Raad de appellant behandelend internist endocrinoloog G. van den Berg om inlichtingen te vragen. Ook verzoekt hij om de behandelend psycholoog H. Rolsma om inlichtingen te vragen.

Appellant heeft al wel reeds een rapport van Van den Berg omtrent door hem gedaan onderzoek overlegd, gedateerd 14 mei 2002. Dit rapport wordt als volgt besloten: ‘Groeihormoonproductie is nu niet aantoonbaar. Behoudens het partiële hypogonadisme zijn de overige hypofysaire systemen intact. De persisterende vermoeidheid is hierbij enigszins moeizaam te duiden’. Ook heeft hij een rapport van psycholoog H. Rolsma van 4 oktober 2002 overlegd.

De Raad overweegt als volgt.

Van de zijde van appellant is tijdens de gevoerde procedures aangevoerd dat hij met meer beperkingen wordt geconfronteerd dan door gedaagde is aangenomen. Hij is met het oog op deze door hem geuite klachten vanwege gedaagde regelmatig onderzocht. Ook is hij regelmatig door de hem behandelend artsen onderzocht. Uit deze onderzoeken is - zoals appellant zelf toegeeft - geen eenduidige verklaring voor zijn klachten gekomen.

Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen wordt arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO slechts aangenomen indien en voorzover de verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

In het geval van appellant kunnen met toepassing van evengenoemd criterium geen zwaardere beperkingen worden aangenomen dan door gedaagde is gedaan. Voor de aanname dat in dit geval aan dit criterium is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of gebrek zwaardere beperkingen vallen toe te schrijven, ziet de Raad geen plaats, van een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde opvatting vanuit de behandelend sector die daartoe aanleiding zou geven is naar het oordeel van de Raad immers geen sprake.

Het eerder weergegeven citaat uit het rapport van endocrinoloog Van den Berg is voor de Raad een duidelijke aanwijzing dat ook deze deskundige de klachten van appellant niet nader kan objectiveren. Ook uit het rapport van psycholoog Rolsma van 4 oktober 2002 volgen geen indicaties dat appellants beperkingen door gedaagde niet juist zijn vastgesteld. De gemachtigde van appellant heeft de Raad dan ook niet van de zin kunnen overtuigen om appellants behandelend artsen om nadere inlichtingen te vragen.

In het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet de Raad evenmin reden om de arbeidskundige schatting van appellants arbeidsongeschiktheid niet te accepteren.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt dan ook als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x