Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AS8315
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het besluit tot weigering van WAZ-uitkering kan zowel gelet op de medische als arbeidskundige aspecten in rechte stand houden. Er blijven voldoende functies over om de schatting op te baseren.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/343 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een op 20 december 2002 door de rechtbank Roermond tussen partijen gewezen uitspraak (reg.nr. 01/1324 WAZ), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 11 en 20 augustus, 27 september, 25 oktober en 23 december 2004 zijn namens appellant nadere stukken toegezonden.
Gedaagde heeft op 27 september 2004 gereageerd op de brief van 20 augustus 2004.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts (voornoemd), en waar namens gedaagde is verschenen W. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De feiten die in rubriek II van de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
Op 7 juni 2000 heeft appellant gedaagde verzocht om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen (WAZ).
Bij besluit van 28 februari 2001 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat hij op en na 30 april 2000 geen uitkering inzake de WAZ toegekend krijgt omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Bij een ander besluit - met dezelfde datum - wordt aan appellant meegedeeld dat aangezien hij sedert 22 mei 2000 wederom is uitgevallen met toename van klachten zijn arbeidsongeschiktheid per die datum wordt vastgesteld op 80 tot 100%. Dit besluit is genomen naar aanleiding van het plotselinge overlijden van de enige zoon van appellant, waardoor appellant vanwege zijn verwerkingsproblematiek niet in staat was om persoonlijk en sociaal te kunnen functioneren.

Bij besluit van 8 november 2001 (het bestreden besluit) verklaarde gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit waarbij hem geen uitkering is toegekend omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt beschouwd, ongegrond.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond en overwoog daarbij dat gelet op de voorhanden medische gegevens de rechtbank geen aanknopingspunten heeft gevonden de bevindingen van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Daarbij acht de rechtbank het met name van belang dat niet is gebleken dat de klachten van appellant zijn onderschat dan wel onjuist zijn geīnterpreteerd. In ieder geval is volgens de rechtbank niet gebleken dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding - 30 april 2000 - niet in staat was om de binnen zijn beperkingen vallende werkzaamheden te verrichten. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag is de rechtbank van oordeel dat hoewel aan de functie monteur/assembleerder kan worden getwijfeld vanwege de wisselende diensten, er voldoende functies overblijven die passend kunnen worden geacht en die de grondslag kunnen vormen voor de indeling in de arbeidsongeschiktheidklasse van minder dan 25%.

Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft aangegeven dat hij op 30 april 2000 vanwege zijn lichamelijke beperkingen volledig arbeidsongeschikt was. Tot die datum kon hij nog enigszins functioneren binnen zijn bedrijf omdat zijn zoon, met het oog op bedrijfsopvolging, hem werkzaamheden uit handen nam. Toen zijn zoon op 22 mei 2000 plotseling overleed en hij bepaalde werkzaamheden weer zelf moest gaan verrichten, waren het naast de psychische beperkingen ook de al reeds langere tijd bestaande lichamelijke klachten die het hem onmogelijk maakten deze werkzaamheden weer op te pakken. Tevens heeft hij een brief van neurologe prof. dr. M. de Visser
d.d. 9 augustus 2004 overgelegd waarin wordt vermeld dat er sprake lijkt te zijn van een zeer geleidelijk progressieve spierzwakte in de proximale musculatuur van de onderste extremiteiten. Zij adviseert appellant om tot een nieuw biopt over te gaan op geleide van een CT-scan van de skeletmusculatuur.

Bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen heeft in haar reactie van 14 september 2004 aangegeven dat de brief van neurologe De Visser geen nieuwe of andere medische gegevens bevat dan die waarvan was uitgegaan bij de eerste beoordeling. De brief bevestigt volgens de bezwaarverzekeringsarts het bestaan van langzaam progressieve loopstoornissen, met een versnelling rond het overlijden van de zoon van appellant en na een knieoperatie in december 2003. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is in de primaire beoordeling bij het vaststellen van zijn belastbaarheid reeds rekening gehouden met de beperkende progressieve loopstoornissen van appellant. De gemelde toenames van de beperkingen zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts van na de datum in geding en vallen zodoende buiten het bestek van deze zaak.

Vervolgens heeft appellant een brief van neurologe De Visser overgelegd van 18 oktober 2004 waarin zij aangeeft dat door middel van een nieuw spierbiopt met zekerheid is komen vast te staan dat er sprake is van een spierziekte. Bij brief van 20 december 2004 is zij na nader onderzoek tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een neuromusculaire ziekte, waarschijnlijk neurogeen van aard, zich uitend in zwakte van de bilspieren.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is van oordeel dat de vaststelling van de spierziekte door neurologe De Visser op 18 oktober 2004 geen afbreuk doet aan het standpunt van gedaagde. Bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon op 2 oktober 2000 is door de verzekeringsarts rekening gehouden met de toen bestaande verminderde lichamelijke belastbaarheid van appellant. Uit de door neurologe De Visser verstrekte informatie blijkt niet dat appellant reeds op de datum in geding - 30 april 2000 - vanwege de spierziekte dusdanig beperkt was dat hij volledig arbeidsongeschikt moest worden beschouwd. Dit is ook aannemelijk aangezien neurologe De Visser in haar brief van 9 augustus 2004 heeft aangegeven dat er sprake is van een zeer geleidelijk progressieve spierzwakte.
De reden dat appellant zo kort na de datum in geding per 22 mei 2000 wel volledig arbeidsongeschikt werd geacht, is gelegen in het plotselinge overlijden van zijn zoon en de bijkomende psychische problematiek. Duidelijk is evenwel dat appellant na deze datum, vanwege zijn progressieve spierziekte, steeds meer lichamelijke beperkingen ondervindt. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

Ten aanzien van de arbeidskundige aspecten is de Raad van oordeel dat, als van de in het rapport van arbeidsdeskundige W. Wolfs op 20 december 2000 geselecteerde functies, de functies waarbij in wisselende dienst wordt gewerkt en de functies waarvan de actualiseringsdatum gelegen is na 30 april 2000, vervallen, er voldoende functies overblijven om een schatting op te baseren. Op basis van die functies is appellant terecht minder dan 25% arbeidsongeschikt te beschouwen.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Š Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x