Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AS8351
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ongewijzigde vaststelling van de WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Stelt betrokkene terecht dat haar belastbaarheid niet gelijk gebleven doch verminderd is en dat zij niet in staat is de hele dag te werken?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2459 WAZ en 4103 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 18 mei 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij besluit van 10 januari 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 mei 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 7 april 2003, reg.nr. AWB 01/291 WAZ, het beroep van appellante tegen het besluit van 10 januari 2000 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak, met aanvullende beslissingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellante heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een afschrift ingezonden van een besluit van 31 juli 2003, gegeven ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, waarin het bezwaar van appellante wederom ongegrond wordt verklaard.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 januari 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellante, die als zelfstandige werkzaam is geweest in een café, heeft ingaande 4 maart 1995 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% ontvangen, nadien omgezet in een uitkering ingevolge de WAZ, in verband met de diagnoses M. Crohn en psoriasis.

Op 25 oktober 1999 heeft appellante om voortzetting van de uitkering verzocht. Daarop heeft de verzekeringsarts na onderzoek van appellante op 6 april 2000 geconcludeerd tot een gelijk gebleven belastbaarheid, terwijl de arbeidsdeskundige op grond van deze belastbaarheid, neergelegd in een belastbaarheidsprofiel, op 10 april 2000 een verlies aan verdienvermogen van 32,7% heeft berekend, op basis van de mediane loonwaarde van een drietal geselecteerde functies, vergeleken met het (geïndexeerde) inkomen van de maatvrouw. Hierop heeft gedaagde bij het primaire besluit van 18 mei 2000, in stand gelaten bij het besluit van 10 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante onveranderd vastgesteld op 25 tot 35%.

In beroep tegen het besluit van 10 januari 2001 heeft appellante in hoofdzaak aangevoerd dat haar belastbaarheid niet gelijk gebleven doch verminderd is en dat zij niet in staat is de hele dag te werken. Voorts heeft zij overgelegd een expertiserapport gedateerd 12 januari 2002 van de revalidatiearts dr. R.M. van Mechelen, waarin deze in verband met de bij appellante bestaande ziekte van Crohn aanpassing van het belastbaarheidspatroon noodzakelijk heeft geoordeeld en de voorgehouden functies niet haalbaar heeft geacht. Hierop heeft de rechtbank appellante doen onderzoeken door de orthopedisch chirurg dr. J.B.A. van Mourik en door de gastro-enteroloog dr. E.W. van der Hoek. De deskundige Van Mourik heeft in zijn rapport van 4 april 2002, dat later is aangevuld bij brief van 4 november 2002, bij appellante vastgesteld de ziekte van Crohn met begeleidende arthralgieën en voetklachten links in verband met een doorgemaakte klompvoetbehandeling waarvoor orthopedisch schoeisel gedragen wordt. Hij heeft geconcludeerd dat appellante geen werkzaamheden kan verrichten waarbij zij meer dan 5 minuten moet lopen of staan en heeft haar mede deswege meer beperkt geacht dan de verzekeringsarts op de punten 2 (staan), 3 (lopen), 4 (trappenlopen) en 5 (klimmen en klauteren) van het belastbaarheidsprofiel. De deskundige Van der Hoek is in zijn rapport van 5 augustus 2002, dat later is aangevuld bij brief van 4 december 2002, tot de volgende slotsom gekomen: “Concluderend is er bij betrokkene sprake van de ziekte van Crohn sinds 1992 waarbij op 18 mei 2000 nauwelijks tekenen van ziekteactiviteit waren. Haar klachten kunnen dan ook niet goed door de ziekte van Crohn verklaard worden en ook niet door andere aandoeningen op mijn terrein.”

De rechtbank heeft daarop in de aangevallen uitspraak het besluit van 10 januari 2001 vernietigd, zich aansluitend bij de conclusie van de deskundige Van Mourik dat de belastbaarheid van appellante door gedaagde is onderschat.

In hoger beroep heeft appellante aangegeven het niet eens te zijn met de door de rechtbank ingeschakelde deskundigen, in het bijzonder niet met het rapport van dr. Van der Hoek.

Gedaagde, die in de uitspraak heeft berust, heeft ter uitvoering daarvan bij besluit van 31 juli 2003 een nadere beslissing op bezwaar gegeven, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd is vastgesteld op 25 tot 35%. Dit besluit berust op een rapport van de bezwaarverzekeringsarts, waarin hij de belastbaarheid van appellante op de punten 2, 3, 4 en 5 op basis van het rapport van de deskundige Van Mourik heeft aangescherpt, met als conclusie dat met inachtneming van deze zwaardere beperkingen de eerder geselecteerde functies onveranderd voor appellante geschikt zijn.

De Raad stelt voorop dat het besluit van 31 juli 2003, waarmee niet is tegemoet gekomen aan het beroep van appellante, op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure dient te worden betrokken. Voorts heeft appellante, nu zij heeft verzocht om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente, belang behouden bij een oordeel van de Raad met betrekking tot het besluit van 10 januari 2001.

Ten aanzien van het medische aspect van de schatting is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de rapporten van de orthopedisch chirurg Van Mourik en de gastro-enteroloog Van der Hoek dienen te worden gevolgd. Het rapport van de revalidatiearts Van Mechelen, dat in hoofdzaak bestaat uit een bespreking van de onderzoeksbevindingen van andere medici en van geraadpleegde literatuur, acht de Raad, afgewogen tegen de onderzoeksrapporten van deze onafhankelijke deskundigen, niet van doorslaggevende betekenis. Het rapport van de deskundige Van Mourik is namens appellante voorts wel bestreden, maar zonder enige onderbouwing. Ten aanzien van het rapport van de deskundige Van der Hoek is namens appellante ter zitting van de Raad gesteld dat deze er ten onrechte van zou zijn uitgegaan dat de ziekte van Crohn op de datum in geding minder actief was. De bevinding van Van der Hoek vindt naar ’s Raads oordeel echter voldoende steun in een brief van de behandelende gastro-enteroloog dr. J.M.J.I. Salemans van 28 juni 2000 en derhalve van kort na de datum in geding (18 mei 2000), in welke brief onder vermelding van onderzoeksgegevens uit het voorafgaande halfjaar het volgende wordt gesteld: “Haar Crohnse colitis lijkt thans in remissie, zowel biochemisch, radiologisch als endoscopisch.”

Wat het nadere besluit van 31 juli 2003 betreft heeft de gemachtigde van appellante gesteld dat dit onvoldoende recht zou doen aan de bevindingen van de deskundige Van Mourik, omdat in de - opnieuw - geschikt geoordeelde functies van stikster meubelbekleding (fb-code 7964), assemblagemedewerker (fb-code 8463), printmonteur (fb-code 8538) en heftruckchauffeur (fb-code 9792) sprake zou zijn van een te grote belasting van de voeten. Ter adstructie hiervan heeft de gemachtigde er op gewezen dat Van Mourik de functie van heftruckchauffeur niet geschikt heeft geacht wanneer voor het uitoefenen van die functie het gebruik van de linkervoet noodzakelijk is, terwijl zij er verder op heeft gewezen dat in de functies van stikster en assemblagemedewerker voetpedalen moeten worden bediend en dat in de functie van printmonteur regelmatig 25 meter gelopen moet worden. Dienaangaande merkt de Raad op dat de functie van heftruckchauffeur niet behoort tot de drie functies waar de schatting op berust, terwijl hetgeen verder is gesteld wordt weerlegd door de brief van de deskundige Van Mourik van 4 november 2002, waarin deze op eerder in gelijke zin geuite bezwaren aangaande de voetpedalen en het lopen het volgende heeft geantwoord: “Naar mijn mening moet betrokkene daar wel toe in staat worden geacht, omdat er een goede functie van de enkelgewrichten mogelijk is voor de bediening van de pedalen en lopen tot 5 minuten goed mogelijk moet zijn.”

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en dat de mate van arbeidsongeschiktheid, conform het besluit van 31 juli 2003, vastgesteld dient te blijven naar de klasse van 25 tot 35%. Dit brengt tevens mee dat voor toewijzing van het verzoek tot rentevergoeding geen aanleiding bestaat.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep, voor zover dat moet worden geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van 31 juli 2003, ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x