Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AT3608
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vijfdejaarsherbeoordeling inzake het recht op WAZ-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2362 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 2 mei 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), bedoeld is echter de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), met ingang van 31 augustus 1999 ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 4 april 2003, nummer Awb 02/294, het beroep tegen het besluit van 28 februari 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. E.J. Bonnist, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 22 februari 2005, waar partijen - zoals tevoren was bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Aan appellante is met ingang van 31 augustus 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Deze AAW-uitkering is met ingang van 1 januari 1998 omgezet in een WAZ-uitkering.

Per 31 augustus 1999 heeft een zogenoemde vijfdejaarsherbeoordeling plaatsgevonden, waarbij de verzekeringsarts heeft vastgesteld dat er geen wijziging is gekomen in de medische situatie van appellante en dat nog dezelfde beperkingen gelden zoals die in het kader van een voorgaande beoordeling, betrekking hebbend op de datum 5 september 1996, waren vastgelegd in een FIS-formulier van 24 oktober 1997.
Er heeft geen arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden.

Namens appellante is aangevoerd dat zij zwaardere psychische beperkingen heeft dan door gedaagde is aangenomen en dat haar mate van arbeidsongeschiktheid op een te laag percentage is vastgesteld. Dit zou volgens appellante blijken uit een rapport van de psychiater M. Kazemier van 11 april 2001 dat als medische contra-expertise is uitgebracht in een voorgaande procedure inzake de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 5 september 1996.

De rechtbank heeft overwogen dat uit het rapport van de psychiater Kazemier niet blijkt dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. De juistheid van de ten aanzien van de datum 5 september 1996 aangegeven beperkingen is door s Raads uitspraak van 17 december 2002, nummer 00/4991 AAW, waarbij hij doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het rapport van 25 juli 2002 van de door hem ingeschakelde deskundige dr. A.P.K. van Eekeren, rechtens bevestigd. Naar het oordeel van de Raad zijn er geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellante op 31 augustus 1999 ten opzichte van de voorgaande beoordeling per 5 september 1996 zijn toegenomen.

Dit betekent echter niet dat gedaagde had mogen afzien van het verrichten van een arbeidskundig onderzoek. Een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid dient in beginsel te berusten op zowel een medisch als een arbeidskundig onderzoek.
Gedaagde heeft niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de voorgaande schatting, waaraan voor appellante parttime functies ten grondslag zijn gelegd die voor haar geschikt werden geacht. Het staat immers zonder nader onderzoek niet vast dat de functies die aan de schatting per 5 september 1996 ten grondslag zijn gelegd op de datum 31 augustus 1999 ook nog in dezelfde vorm en met dezelfde kenmerken in het Functie Informatie Systeem waren opgenomen en dat vergelijking van het mediane loon van de drie hoogst verlonende functies op 31 augustus 1999 met het voor appellante op die datum geldende maatmaninkomen tot een zelfde arbeidsongeschiktheidsklasse zou leiden.

De jurisprudentie van de Raad zoals die onder andere is neergelegd in zijn uitspraak van 25 april 2001, LJN AL1255, gepubliceerd in RSV 2001, 149, waarin de Raad heeft overwogen dat niet wordt toegekomen aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten indien er van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag liggen aan de reeds toegekende uitkering geen sprake is, is hier niet van toepassing.
Die jurisprudentie ziet uitsluitend op de bijzondere situatie dat de beoordeling of de medische beperkingen zijn toegenomen heeft plaatsgevonden in het kader van de vraag of de uitkering na een verkorte wachttijd van vier weken moet worden verhoogd op grond van artikel 39a van de WAO of daarmee vergelijkbare artikelen en uit de andere arbeidsongeschiktheidswetten heeft geen betrekking op een reguliere schatting zoals die hier aan de orde is.

De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen derhalve niet in stand blijven. Gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal 644,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van 114,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x