Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AT3818
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3359 WAZ en 04/2751 WAZ




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 12 april 2001 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde ongegrond verklaard het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van gedaagde van 15 september 2000, houdende weigering aan appellant van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) omdat appellant, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 24 mei 1997 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft het namens appellant ingestelde beroep tegen besluit 1 bij uitspraak van 4 juni 2003, AWB 01/1236 WAZ (hierna: uitspraak 1), ongegrond verklaard.

Tegen uitspraak 1 heeft mr. M.J.B.R. Hermans, advocaat te Eindhoven, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft van verweer gediend.

Bij besluit van 13 november 2002 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde ongegrond verklaard het namens appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van gedaagde van 14 maart 2002, houdende weigering aan appellant van andermaal een uitkering ingevolge de WAZ omdat appellant, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 30 september 2000 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

De rechtbank heeft het door de gemachtigde van appellant ingestelde beroep tegen besluit 2 bij uitspraak van 29 april 2004, AWB 02/3646 WAZ (hierna: uitspraak 2), ongegrond verklaard.

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, met bijlage, tegen uitspraak 2 hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft onder overlegging van een bijlage van verweer gediend.

De gemachtigde van appellant heeft in beide gedingen bij brief van 26 januari 2005 het rapport van de orthopedisch chirurg H.J. Hoekstra van 25 februari 2004 ingezonden. Hierop heeft gedaagde gereageerd door middel van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts F.A.M. Samuels van 8 februari 2005.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 22 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens daagde is verschenen P.M.W. van der Helm, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad zal hierna eerst zijn oordeel geven over het hoger beroep tegen uitspraak 1 en daarna het hoger beroep tegen uitspraak 2 beoordelen.

Inzake uitspraak 1 oordeelt de Raad als volgt.

Appellant was werkzaam als zelfstandig meubelmaker toen hij op 26 mei 1996 uitviel vanwege een bij een auto-ongeval opgelopen whiplash. In het kader van de beoordeling van zijn aanspraak op uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) na afloop van de wettelijke wachttijd is appellant op 12 september 1997 onderzocht door de verzekeringsarts M. van Heugten. Blijkens diens rapport van dezelfde datum gaf appellant bij de anamnese aan dat de bewegingen van de nek beperkt zijn, dat de pijn in de nek uitstaalt naar beide schouders en armen ter hoogte van de ellebogen en dat er geen cognitieve functiestoornissen of evenwichtsproblemen zijn. Na verkregen informatie van de behandelend neuroloog in de vorm van een brief van 30 september 1996 aan de huisarts, waarin deze neuroloog aangaf dat bij uitvoerig neurologisch onderzoek geen afwijkingen zijn aangetoond, heeft de verzekeringsarts R. Hoving-Lammes appellant op 4 november 1997 onderzocht. Hoving-Lammes stelde onder andere aan armen en handen geen afwijkingen vast en bevond normale knijpkracht in de handen en normale vingerfincties. Voorts nam zij de door haar bij appellant, die blijkens haar rapport zijn eigen werk deed, zij het in mindere mate en wat betreft de minder zware werkzaamheden, ten aanzien van de nek en schouderfunctie vastgestelde beperkingen op in het in haar rapport van 4 november 1997 opgenomen belastbaarheidspatroon. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 8 januari 1998 heeft de arbeidsdeskundige G.J.J. Wildemans blijkens zijn rapport van 11 februari 1998 vastgesteld dat er op basis van de mediaan van de drie hoogst verlonende functies geen sprake was van verlies aan verdiencapaciteit. Daarbij heeft Wildemans het maatmaninkomen, uitgaande van de fiscale winst over de jaren 1993, 1994 en 1995, zijnde de drie boekjaren voorafgaande aan het jaar van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, vastgesteld op het niveau van het wettelijk minimumloon. Vervolgens nam gedaagde het primaire besluit van 15 september 2000.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz in zijn rapport van 3 april 2001 het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, voorafgaand aan het nemen van het evengenoemde primaire besluit geaccordeerd, waarna gedaagde bij besluit 1 dit primaire besluit handhaafde.

In beroep heeft appellant ter onderbouwing van zijn medische bezwaren tegen besluit 1 informatie van zijn huisarts van 13 februari en 11 maart 2002 omtrent diens bevindingen ten aanzien van de beperkingen van appellant inzake de nek, de schouders en de knijpkracht in de rechterhand overgelegd. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1 heeft appellant aangevoerd dat de voor de vaststelling van het maatmaninkomen in aanmerking genomen referteperiode niet representatief is omdat vanwege een veel kosten meebrengende verbouwing van het bedrijfspand de winstcijfers over de jaren 1994 en 1995 extreem laag waren in vergelijking met de winstcijfers over 1991, 1992 en 1993. Om die reden bepleit appellant voor de vaststelling van het maatmaninkomen uit te gaan van de winstcijfers over de drie laatstgenoemde jaren.

De rechtbank heeft de neuroloog J.J.M. Hagemans benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Hagemans heeft appellant op 17 april 2002 onderzocht en in zijn rapport van 16 juli 2002 aangegeven dat het op grond van de anamnese zeer wel mogelijk is dat bij appellant sprake was van een whiplashtrauma, dat uitvoerig somatisch en technisch neurologisch onderzoek geen afwijkingen heeft opgeleverd en dat in het verloop der tijd toegenomen klachten en pseudo-verschijnselen zijn gaan optreden. Hagemans kon zich verenigen met de door Hoving-Lammes vastgelegde beperkingen en achtte appellant in staat de hem geduide functies te verrichten.
Vervolgens heeft appellant nog een rapport overgelegd van de neuroloog H.B.M. van Lieshout van 10 april 2003, die tot geen wezenlijk andere bevindingen kwam dan Hagemans en het belastbaarheidspatroon en de geschiktheid van appellant voor de geduide functies onderschreef.. Wel wees Van Lieshout nog op de mogelijkheid van een aanpassingsstoornis of zelfs aggravatie.

De rechtbank is in uitspraak 1 op grond van de beschikbare medische gegevens tot het oordeel gekomen dat ten aanzien van gedaagde de juiste beperkingen tot het verrichten van arbeid in aanmerking zijn genomen. Daarbij heeft de rechtbank met name gewezen op het rapport van de deskundige Hagemans. Voorts heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van besluit 1 - met inbegrip van het in aanmerking nemen voor de vaststelling van het maatmaninkomen van de winstcijfers over de jaren 1993, 1994 en 1995 - onderschreven en geoordeeld dat dit niet anders wordt door het feit dat als gevolg van een verbouwing de winst in 1994 en 1995 niet volledig werd gerealiseerd.

In hoger beroep heeft appellant heeft appellant zijn standpunt ten aanzien van de medische grondslag van besluit 1 met name doen steunen op de in eerste aanleg overgelegde rapporten van zijn huisarts en heeft hij zijn in eerste aanleg voorgedragen standpunt ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van besluit 1 herhaald.

Gedaagde heeft wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1 gewezen op de vaste jurisprudentie van de Raad ten aanzien van de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige, welke inhoudt dat wordt uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatst drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid en zoals deze is neergelegd in onder andere de uitspraak van de Raad van de Raad van 20 februari 2001 (USZ 2001,101).

Wat betreft de medische grondslag van besluit 1 en de geschiktheid van appellant voor de geduide functies onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank. In dit verband wijst hij erop dat in vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Tot zodanige feiten of omstandigheden rekent de Raad in elk geval niet de van de zijde van appellant in eerste aanleg overgelegde informatie van de huisarts, reeds omdat deze arts in zijn brief van 11 maart 2002 uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij zijn opinie van dat moment geeft en dat hij dus niets kan zeggen over de datum in geding bij besluit 1. Overigens kan er in dit verband uiteraard niet aan worden voorbijgezien dat de conclusies van de deskundige Hagemans zijn onderschreven door de eveneens door appellant geraadpleegde neuroloog Van Lieshout. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1 ligt het oordeel van de rechtbank in lijn met de door gedaagde in zijn verweerschrift vermelde vaste jurisprudentie van de Raad ter zake van de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige. In de omstandigheid dat appellant in 1994 en 1995 de winst negatief beïnvloedende kosten heeft gemaakt voor de verbouwing van een bedrijfspand ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding tot een ander oordeel.

De Raad stemt tenslotte in met het standpunt van gedaagdes gemachtigde ter zitting dat de juridische grondslag van besluit 1 niet juist is in die zin dat deze niet dient te worden gevonden in de WAZ maar in de AAW. De datum in geding bij besluit 1 is immers 24 mei 1997, terwijl de aanvraag van appellant op 15 juni 1997 is ingediend. Onder deze omstandigheden is het bij de inwerkingtreding van onder andere de WAZ en het vervallen van de AAW met ingang van 1 januari 1998 gegeven overgangsrecht niet van toepassing en dient de aanspraak van appellant te worden beoordeeld aan de hand van het geldende recht op het tijdstip waarop de onder de gelding van de AAW ingediende aanvraag betrekking heeft, te weten de overigens wat betreft die aanspraak toen geldende, aan de WAZ inzake de beoordeling van die aanspraak vrijwel gelijkluidende bepalingen van de AAW.
Nu de vermelding van de juiste juridische grondslag van besluit 1 geen gevolgen heeft voor de inhoudelijke beoordeling van dat besluit en besluit 1 blijkens het hiervoor overwogene wat betreft de medische en arbeidskundige grondslag in rechte stand kan houden, ziet de Raad de onjuiste vermelding van de juridische grondslag in dit geval niet meer betekenis hebben dan enkel de schending van een vormvoorschrift. Nu naar het oordeel van de Raad appellant daardoor niet in zijn belangen is geschaad, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het aldus als een schending van een vormvoorschrift te begrijpen verzuim van gedaagde bij besluit 1 te passeren.

Uit al het vorenstaande volgt dat besluit 1 in rechte stand kan houden en dat uitspraak 1 dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van uitspraak 2 oordeelt de Raad als volgt.

Blijkens de stukken vindt besluit 2 haar arbeidskundige grondslag in de arbeidsmogelijkhedenlijst van 5 februari 2002 en de mede op basis daarvan door de arbeidsdeskundige M.J.B. Spaargaren in zijn rapport van 28 februari 2002 beschreven functieduiding en vaststelling van de afwezigheid van enig verlies aan verdienvermogen. Gedeeltelijk anders dan het primaire besluit van 14 maart 2002, dat uitging van 30 september 2000 als de datum in geding, liet gedaagde besluit 2 blijkens de overwegingen tevens betrekking hebben op een niet nader omschreven datum in 1999.
In uitspraak 2 is de rechtbank er op grond van de stukken, waaronder een aantekening van de verzekeringsarts R. Thoeng van 21 december 2001 op een intern memo van gedaagde van 26 oktober 2001, dat per oktober 1999 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid, vanuit gegaan dat de bij besluit 2 gehandhaafde weigering van de WAZ-uitkering betrekking heeft op 1 oktober 1999. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde in haar pleitnota, aangegeven dat gedaagde, door geen hoger beroep in te stellen tegen uitspraak 2, zich heeft geconformeerd aan deze datum als zijnde de datum waarop besluit 2 betrekking heeft en heeft zij verzocht besluit 2 ook als zodanig te lezen. Voorts is in de pleitnota vermeld dat de functies, welke ten grondslag zijn gelegd aan besluit 2, alle een actualiseringsdatum van na 1 oktober 1999 hebben en dat onderzoek van de bezwaararbeidsdeskundige heeft uitgewezen dat met ingang van 1 oktober 1999 aan appellant slecht 2 fb-codes kunnen worden voorgehouden. Desgevraagd voegde de gemachtigde van gedaagde daaraan nog toe dat na overleg met de bezwaararbeidsdeskundige geen functies konen worden bijgeduid. Aan een en ander verbond de gemachtigde van gedaagde de conclusie dat besluit 2 op arbeidskundige gronden niet in stand kan blijven.

Gelet op de door de gemachtigde van appellant ingediende rentevordering heeft appellant, ondanks het vorenstaande belang behouden bij beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 2 in hoger beroep.
De Raad onderschrijft dit nadere standpunt van gedaagde inzake besluit 2. Op grond van artikel 4, eerste lid, van het ten tijde van de datum bij besluit 2 uiteindelijk in geding geldende Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong dient de in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bedoelde arbeid immers nader te worden omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies. Besluit 2 voldoet, gelet op het gestelde in evenbedoelde pleitnota, niet aan dit vereiste. Geen andere conclusie is dan ook mogelijk dan dat besluit 2 en uitspraak 2 dienen te worden vernietigd en dat gedaagde met inachtneming van de uitspraak van de Raad een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 14 maart 2002 dient te nemen, dat inhoudt dat aan appellant met ingang van 1 oktober 1999 een volledige WAZ-uitkering dient te worden toegekend.

Met betrekking tot het door appellant gedane verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb in de vorm van veroordeling van gedaagde tot betaling aan appellant van de wettelijke rente over de niet of te laat betaalde WAZ-uitkering overweegt de Raad dat dit verzoek volgens zijn vaste rechtspraak dient te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop gedaagde de aan appellant toekomende wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995 (JB 1995,314).

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant met betrekking tot besluit 2 in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, alsmede op € 12,86 aan reiskosten in eerste aanleg en op € 24,56 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.003,42.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt uitspraak 1;
Vernietigt uitspraak 2;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt besluit 2;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 14 maart 2002 neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade aan appellant als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.003,42 te betalen door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 131,= vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x