Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AU2258
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Vastgestelde aflossingscapaciteit.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4766 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 19 augustus 2003, onder nummer 02/2334 WAZ, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 7 november 2003 een stuk ingezonden, waarop namens gedaagde bij brief van 11 december 2003 is gereageerd.

Bij brief van 15 juli 2005 heeft appellant nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 juli 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen, mr. M. Reitsma, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 26 juni 1997 heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, per 1 januari 1996 ingetrokken, omdat appellant vanaf 1 januari 1991 in staat was met eigen arbeid een zodanig inkomen te verdienen dat de uitkering op nihil diende te worden gesteld. Dit besluit staat in rechte vast. Bij besluit van 2 oktober 1998 is van appellant een bedrag van f 71.444,72 (€ 32,420,20) teruggevorderd aan over de periode van 12 juni 1992 tot en met 30 juni 1997 ten onrechte betaalde uitkering. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen ingesteld. Wel heeft appellant op 12 september 1997 opnieuw een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 17 maart 1998 is geweigerd appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Dit besluit is in bezwaar gehandhaafd en het beroep tegen het terzake afgegeven besluit is ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 24 augustus 2001 de betreffende uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Vervolgens heeft gedaagde appellant, die tot dan toe niet was overgegaan tot terugbetaling van de ten onrechte ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering, bij brief van 10 januari 2002 nog eenmaal in de gelegenheid gesteld gegevens over zijn inkomen en zijn financiële verplichtingen te verstrekken om de aflossingscapaciteit van appellant te kunnen vaststellen. Naar aanleiding van bij brieven van 16 januari en 16 maart 2002 van appellant ontvangen gegevens heeft gedaagde bij besluit van 21 maart 2002 de aflossingscapaciteit van appellant vastgesteld op € 248,95 per maand. Bij besluit van 8 november 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het tegen het besluit van 21 maart 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen enkele ruimte heeft om uitkering terug te betalen. Zijn aflossingscapaciteit is lager dan gedaagde heeft aangenomen, omdat hij maandelijks aan de Rabobank een bedrag van € 360,- aan rente en aflossing moet betalen in verband met een door deze bank verleend krediet van f 40.000,-.

De Raad oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder k, van het Besluit van 6 juni 1996, Stcrt. 1996, 141, zoals dat Besluit sedert 21 maart 2001, Stcrt. 2001, 107 luidt (Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering, hierna: Besluit Tica) wordt onder aflossingscapaciteit verstaan het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering.

Ingevolge artikel 475d, eerste en vijfde lid Rv bedraagt de beslagvrije voet voor een persoon als appellant 90% van de Bijstandsnorm, verhoogd met de premie van de ziektekostenverzekering en de voor rekening van de betrokkene komende huur van de door hem bewoonde woonruimte.

Artikel 7, eerste lid, eerste volzin, van het Besluit Tica bepaalt, onder meer, dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen, indien de schuldenaar een betalingsregeling heeft getroffen met één of meer derden die beschikken over een executoriale titel, rekening kan houden met deze betalingsregelingen bij de vaststelling van de termijn of termijnen waarbinnen wordt betaald. Ingevolge de laatste volzin van dit artikellid is het Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd om een schuldeiser, met wie de schuldenaar, tenminste één jaar voor de beslissing tot terugvordering is afgegeven, een betalingsregeling is overeengekomen, gelijk te stellen met een schuldeiser die in het bezit is van een executoriale titel.

De Raad is van oordeel dat er voor gedaagde geen aanleiding bestond rekening te houden met het pas in beroep aangevoerde en in hoger beroep nader toegelichte maandelijkse bedrag aan rente en aflossing op het door de Rabobank in 1995 aan appellant verstrekte doorlopend krediet. De Raad overweegt daartoe dat appellant maandelijks een bedrag van ongeveer € 360,- aan rente en aflossing betaalt, maar dat hij ook steeds weer bedragen opneemt ten laste van het krediet, waardoor de hoogte van het krediet reeds jaren ongeveer hetzelfde is. Anders dan appellant meent, is de maandelijks door appellant te betalen rente en aflossing op dit krediet geen betalingsregeling als bedoeld in de laatste volzin van artikel 7 van het Besluit Tica. Immers, appellant lost feitelijk niets op het krediet af. Nu ook niet is gebleken dat de Rabobank zich een executoriale titel heeft verworven op grond waarvan het door appellant van deze bank ontvangen krediet van appellant wordt teruggevorderd ziet de Raad met de rechtbank voor gedaagde geen reden om de verplichtingen van appellant jegens de Rabobank voorrang te verlenen boven zijn schuld aan gedaagde.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat gedaagde de aflossingscapaciteit van appellant niet te hoog heeft vastgesteld. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Ter zitting is nog aan de orde geweest of er een mogelijkheid is de invordering van de schuld te stoppen op het moment dat appellant drie jaar heeft moeten rondkomen van een inkomen ter hoogte van 90% van de bijstandsnorm.
De gemachtigde van gedaagde heeft daarop aangegeven dat daartoe volgens door gedaagde gehanteerd beleid geen aanleiding is, nu de onderhavige vordering wordt geïnd via beslaglegging op de uitkering van de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering van appellant, omdat appellant niet uit eigen beweging aan zijn terugbetalingsverplichting voldoet.
De Raad is van oordeel dat gelet op vorenvermelde omstandigheden gedaagde zich ten aanzien van appellant in redelijkheid op dit beleid kan beroepen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x