Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AU3065
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De WAZ-uitkering is op nihil gesteld vanwege samenloop van rechten voortvloeiende uit de WAO en de WAZ.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1354 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft bij beroepschrift gedateerd 5 maart 2004 hoger beroep ingesteld tegen de op 29 januari 2004 (AWB 03/1274 WAZ) door de rechtbank ’s-Gravenhage tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 augustus 2005, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S.M. Ponsioen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Appellant heeft tot 20 september 2001 werkzaamheden verricht waarvoor hij deels verzekerd was op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en deels verzekerd was op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Op 20 september 2001 is hij voor zijn werkzaamheden uitgevallen als gevolg van een hartinfarct.

Appellant is bij besluit van 21 maart 2003 voor de toepassing van de WAO op en na 19 september 2002 op medische gronden als volledig arbeidsongeschikt beschouwd.
Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit rechtens vaststaat.

Bij besluit van 5 februari 2003 heeft gedaagde de arbeidsongeschiktheid van appellant voor de toepassing van de WAZ per 19 september 2002 vastgesteld op 80-100%.
De uitkering is op nihil gesteld. Bij beslissing op bezwaar van 17 maart 2003 heeft gedaagde deze beslissing gehandhaafd.
Gedaagde heeft zijn beslissing doen steunen op de overweging dat de mate van eisers arbeidsongeschiktheid weliswaar moet worden vastgesteld op 80 tot 100%, maar dat - kort samengevat - de grondslag en daarmee de op de grondslag gebaseerde uitkering, wegens samenloop met een uitkering ingevolge de WAO op grond van het bepaalde in artikel 8, elfde lid, van de WAZ op nihil moet worden gesteld.

De rechtbank heeft het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe kort samengevat overwogen dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 8, elfde lid, van de WAZ, in dit geval de nihilstelling dwingend voorschrijft.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat gedaagde en de rechtbank de wet onjuist interpreteren. Hij is van opvatting dat hij recht heeft op een uitkering omdat hij premie voor de WAZ heeft betaald.

De Raad overweegt als volgt.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of gedaagde op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 8, elfde lid, van de WAZ waarin regeling heeft gevonden de situatie waarin sprake is van samenloop van rechten voortvloeiende uit de WAO en de WAZ

Artikel 8, elfde lid, van de WAZ luidde ten tijde in geding als volgt:
“Indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van dezelfde dag recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het op grond van artikel 72, tweede lid, aangewezen bedrag gedeeld door 261, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het dagloon dat aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag ligt.”

Tussen partijen is niet in geding dat gedaagde de grondslag als bedoeld in artikel 8, elfde lid, van de WAZ juist heeft vastgesteld op € 45,03 per dag. Het dagloon op grond van de WAO bedraagt blijkens het rechtens vaststaande besluit van 21 maart 2003 € 160,25.
Op grond van het bepaalde in artikel 8, elfde lid, van de WAZ dient de grondslag van € 45,03 te worden verminderd met het dagloon op grond van de WAO van € 160, 25.
De grondslag en daarmee de hoogte van de uitkering van appellant komt mitsdien op nihil.

De grief van appellant inhoudende dat de wet onjuist is geďnterpreteerd faalt derhalve.

Hetgeen appellant heeft gesteld omtrent premiebetaling leidt evenmin tot succes.
Bij de toepassing van artikel 8, elfde lid, van de WAZ - een dwingendrechtelijk voorschrift waarvan gedaagde niet kan afwijken - speelt het antwoord op de vraag of premie is betaald geen rol.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant faalt en de uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Jansen in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2005.

(get.) J. Jansen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x