Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AU7411
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zelfstandig bedrijfsjurist, uitgevallen vanwege psychische klachten, is vervolgens in deeltijd als docent recht gaan werken. Is de weigering van WAZ-uitkering terecht?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3894 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank Almelo onder kenmerk 02/982 op 3 juli 2003 gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen W.J. Listing, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




II. MOTIVERING


Bij het bestreden besluit van 10 oktober 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 maart 2002, waarin gedaagde heeft geweigerd appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, omdat appellant vanaf 17 april 2001 niet ten minste 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt zou zijn geweest.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Appellant was werkzaam als zelfstandig bedrijfsjurist. Hij heeft dat werk met ingang van 17 april 2001 gestaakt wegens psychische klachten. Vanaf 21 januari 2002 is appellant in dienstbetrekking in deeltijd werkzaam als docent recht. Op 23 februari 2002 heeft appellant een WAZ-uitkering aangevraagd. Tijdens onderzoek op 21 maart 2002 heeft de verzekeringsarts geconstateerd dat de subjectieve klachten waren verdwenen; de ziekteverschijnselen waren verdwenen en met name nam hij geen tekenen waar van een verminderde autonomie of stoornissen van het “coping-gedrag”.

Het bestreden besluit berust op de overweging dat appellant op 15 april 2002 geen door ziekte of gebrek veroorzaakte beperkingen tot het verrichten van werk (meer) ondervindt. Appellant bestrijdt dit oordeel en stelt door vermoeidheid en de vermindering van zijn stressbestendigheid niet tot het verrichten van zijn werk als bedrijfsjurist in staat te zijn. Volgens appellant was gedaagde gehouden om een expertise te laten verrichten en hij verwijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2000, gepubliceerd in RSV 2000, onder nummer 226.

Appellant heeft door het verruilen van zijn functie van bedrijfsjurist voor die van (deeltijd) leraar een aanzienlijk inkomensverlies geleden, maar dat is onvoldoende om te concluderen tot arbeidsongeschiktheid.

Op grond van artikel 2, eerste lid van de WAZ is, voor zover van belang, arbeidsongeschikt de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus te worden uitgelegd dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Appellant voldoet hieraan niet.

In bijzondere situaties kunnen ook klachten zonder duidelijke oorzaak leiden tot de conclusie dat beperkingen tot het verrichten van arbeid bestaan die voortvloeien uit ziekte of gebrek. Appellant beroept zich vergeefs op deze rechtspraak, omdat daarbij als voorwaarde geldt dat bij de medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten. Aan deze voorwaarde wordt evenmin voldaan.

Anders dan appellant heeft bepleit, was gedaagde niet gehouden om een expertise te laten verrichten. Het besluit van gedaagde is gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig onderzoek waarin tevens de bevindingen van de appellant behandelende arts en psycholoog zijn betrokken. De Raad tekent daarbij nog aan dat (ook) de appellant behandelende psycholoog melding maakt dat de lichamelijke en psychische klachten tot een bevredigend niveau waren teruggebracht. Een DSM-diagnose is niet bepaald. De klachten waarmee appellant onder haar behandeling kwam brengt zij in verband met surmenage als gevolg van werkdruk in samenhang met een inadequate copingstijl in bepaalde situaties. Haar begeleiding was vooral gericht op de verbetering van het omgaan met emotionele en psychische druk door duidelijkheid te scheppen, grenzen te stellen en rekening te houden met de eigen positie.

Uit al het voren overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x