Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AU7915
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte van de vastgestelde WAZ-uitkering. Moet de fiscale winst die in het jaar 2000 door betrokkene is behaald met de overheveling van de woning, aangemerkt worden als inkomsten uit arbeid?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4714 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 7 juni 2002 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), laatstelijk berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, over het jaar 2000 niet volledig kan worden uitbetaald, in verband met appellants verdiensten uit werkzaamheden.
Zijn uitkering is daarom berekend naar het arbeidsongeschiktheidspercentage dat voor hem zou gelden indien hij deze inkomsten duurzaam zou kunnen verwerven. Het arbeidsongeschiktheidspercentage zou dan 0-25 zou zijn, waarbij een uitkeringspercentage van 0 hoort.
In verband met de korting die moet plaatsvinden is de uitkering vastgesteld op f 0,00 bruto per dag.

Bij besluit van dezelfde datum heeft gedaagde over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 een bedrag van € 9.504,58 teruggevorderd aan onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering over deze periode.

Het namens appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 augustus 2002 onder handhaving van de besluiten 7 juni 2002, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 augustus 2003, nummer 02/1856 WAZ, heeft de rechtbank Breda het namens appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is drs. J.E.M. Rutten, werkzaam bij Rutten Fiscaal Adviseurs te Oosterhout, op de daartoe bij beroepschrift van 22 september 2003 aangevoerde gronden, in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door drs. J.E.M. Rutten voornoemd en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Muris, werkzaam bij het UWV.




II. MOTIVERING


Voorzover de vermelding in het in rubriek I vermelde kortingsbesluit van 7 juni, dat dit besluit is genomen namens het Lisv, gezien hetgeen is overwogen in de eerste alinea van rubriek, al niet zou moeten worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving, is met aan dit besluit klevende bevoegdheidsgebrek in het bestreden besluit genoegzaam hersteld.

Appellant voert samen met zijn echtgenote in maatschapsverband een agrarische onderneming. Daarnaast ontvangt hij sinds 1982 een arbeidsongeschiktheidsuitkering, aanvankelijk op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidwet en vanaf 1 januari 1998 op grond van de WAZ. De mate van arbeidsongeschiktheid is sedert 1 augustus 1995 vastgesteld naar een mate van 80-100%.

Uit het door appellant op 28 maart 2002 gedagtekende formulier “Begeleiding en controle WAO, WAZ, Wajong en TW” en de door hem overgelegde jaarstukken blijkt dat zijn fiscale winst uit de onderneming over het jaar 2000 f 101.783,00 bedroeg. Onderdeel van deze winst vormde een boekwinst van f 85.000,- gerealiseerd door de overheveling van de helft van de boekwaarde van het woonhuis, dat deel uitmaakte van het bedrijfsvermogen, van de bedrijfsbalans naar de privé-balans en van appellant en zijn echtgenote. Uitgaande van het gehele bedrag aan fiscale winst, inclusief de winst uit de overheveling, heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 inkomsten uit arbeid heeft verworven die ertoe leiden dat zijn uitkering met toepassing van artikel 58 van de WAZ niet moet worden uitbetaald. Vervolgens heeft hij de in rubriek I genoemde primaire besluiten, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 7 juni 2002, genomen.

In geding is de vraag of de Raad het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit rechtens kan volgen.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de fiscale winst die in het jaar 2000 door appellant is behaald met de overheveling van de woning, aangemerkt moet worden als inkomsten uit arbeid zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de WAZ.

Appellant is van mening dat het overhevelen van het woonhuis niet aangemerkt kan worden als algemeen geaccepteerde arbeid in de zin van artikel 2, vierde lid, van de WAZ. Om de overheveling te kunnen bewerkstelligen heeft appellant geen daadwerkelijke arbeid verricht. Veeleer is er sprake van een vorm van vermogensbeheer.
Daarnaast meent appellant dat de overheveling gezien moet worden als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de behaalde winst buiten de berekening van de inkomsten uit arbeid dient te blijven. Naar zijn opvatting is er slechts sprake van een schijnwinst die alleen naar fiscale maatstaven inkomen vormt en feitelijk geen inkomen of vermogenverbetering inhoudt. Bovendien is de winst niet in 2000 ontstaan maar het gevolg van de algemene waardevermeerdering van onroerende zaken over de jaren vanaf het begin van de onderneming. Voorts vertoont de behaalde winst alle kenmerken van stakingswinst in de zin van artikel 57 de Wet inkomstenbelasting 1964, welke winst buiten het begrip inkomsten uit arbeid wordt gehouden.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat als uitgangspunt dient te gelden dat bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ de door de fiscus aanvaarde nettowinst van de onderneming als inkomen uit arbeid van een zelfstandige wordt beschouwd. Daarbij is de in het kader van de fiscale wetgeving door betrokkene gemaakte keuze in beginsel bepalend. Nu appellant de boekwinst die met het overhevelen van het woonhuis is gerealiseerd als winst uit onderneming heeft aangemerkt en dit door de fiscus is aanvaard, dient het gehele bedrag aan fiscale winst als inkomsten uit arbeid te worden aangemerkt. Van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van dit uitgangspunt nopen is niet gebleken volgens gedaagde.
De rechtbank heeft deze zienswijze van gedaagde gevolgd.

De Raad overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie dient voor de vaststelling van het inkomen uit arbeid van een zelfstandige in beginsel te worden uitgegaan van zijn aandeel in de door de fiscus geaccepteerde nettowinst van de onderneming. Het bovengenoemd uitgangspunt lijdt slechts uitzondering wanneer zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat de door de fiscus geaccepteerde winst niet tot uitgangspunt kan worden genomen. Tussen partijen staat vast dat appellant in het jaar 2000 ook daadwerkelijk als zelfstandige werkzaam is geweest in de onderneming. De stelling van appellant dat de overheveling van het woonhuis niet als arbeid in de zin van de WAZ kan worden beschouwd omdat daarvoor geen feitelijke arbeid is verricht, gaat naar het oordeel van de Raad niet op. Besloten is de bedrijfsbalans van de onderneming te veranderen door een onderdeel van het bedrijfsvermogen, het woonhuis, over te hevelen naar het privé-vermogen. Een dergelijke beslissing dient beschouwd te worden als een beslissing in het kader van een normale bedrijfsvoering. Van vermogensbeheer is geen sprake.
Van bijzondere omstandigheden is de Raad niet gebleken. De omstandigheid dat het besluit het woonhuis over te hevelen naar het privé-vermogen slechts een incidentele beslissing betreft, dan wel dat er sprake zou zijn van schijnwinst kan niet als zodanig worden aangemerkt. Voorts gaat de vergelijking met fiscale stakingwinst niet op aangezien er geen sprake is van een (gedeeltelijke) bedrijfsbeëindiging.

Nu de door de overheveling gerealiseerde boekwinst als winst uit onderneming aan de fiscus is opgegeven en ook als zodanig door de fiscus is aanvaard, dient voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ deze boekwinst aangemerkt te worden als inkomen uit arbeid.

Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit van 29 augustus 2003 voorzover daarbij is gehandhaafd het besluit de hoogte van de WAZ-uitkering over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 vast te stellen op f 0,00, in rechte stand houdt.

Gelet hierop is tevens gegeven dat een bedrag aan WAZ- uitkering onverschuldigd is betaald, welk bedrag ingevolge artikel 63 van de WAZ door gedaagde dient te worden teruggevorderd. Dringende redenen op grond waarvan gedaagde af zou moeten zien van terugvordering, zijn gesteld noch gebleken. Hieruit volgt dat het bestreden besluit voorzover daarbij het besluit tot terugvordering is gehandhaafd ook in rechte stand kan houden.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter, en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x