Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AU9340
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid. Omvang van de maatman.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5579 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [appellant], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P. Burger, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank s-Gravenhage op op 29 september 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer AWB 02/4601 WAZ.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft vervolgens bij brief van 25 maart 2004, onder meezending van stukken, zijn standpunt nader toegelicht.

Bij brief van 23 november 2005 heeft de raadsvrouw van appellant nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 november 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Burger, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. E.G. van Roest, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Alvorens de Raad toekomt aan een beoordeling van het onderhavige geschil, merkt hij vooraf op dat de door appellants raadsvrouw bij brief van 23 november 2005 ingezonden nadere stukken, hoewel ingediend binnen de termijn van tien dagen als bedoeld in het eerste lid van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aan de processtukken zijn toegevoegd. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat door gedaagdes gemachtigde desgevraagd ter zitting en na het inzien van die stukken expliciet is verklaard dat daartegen geen bezwaar bestaat.

In dit geding is aan de orde de vraag of gedaagdes besluit van 7 november 2002, hierna: het bestreden besluit, in rechte stand kan houden. Bij dat besluit heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 16 januari 2002 waarbij aan appellant, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 21 juni 2001 een uitkering is toegekend ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
In hoger beroep is, naar desgevraagd uitdrukkelijk van de zijde van appellant is aangegeven, uitsluitend nog aan de orde de bij de berekening van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen omvang van de zogeheten maatman. Appellant was ten tijde van zijn uitval op 22 juni 2000 werkzaam als zelfstandig exploitant van een slagerij annex levensmiddelenbedrijf. Gedaagde is bij de bestreden besluitvorming ervan uitgegaan dat appellant in zijn bedrijf werkzaam is geweest in een omvang van 55 uur per week. Gegeven het feit dat de resterende verdiencapaciteit van appellant - voor wie een medische urenbeperking is aangenomen tot maximaal 40 uur per week - is gemaximeerd op het maatmaninkomen van 17,40 en mede gelet op de bij de schatting toegepaste reductiefactor van 36/55, is gedaagde uitgekomen op een mate van arbeidsongeschiktheid van (17,40 - (17,40 x 36/55): 17,40)= 34,5%.

Appellant is het daarmee oneens. Hij houdt staande dat hij gewerkt heeft in een omvang van 70 uur per week (hetgeen zou dienen te leiden tot indeling in de klasse 45 tot 55%), althans in een grotere omvang dan waarvan gedaagde is uitgegaan. Appellant doet er in dit verband in de eerste plaats op wijzen dat hij in het kader van een eerdere beoordeling aan gedaagde had opgegeven dat hij werkzaam was in een omvang van 70 uur per week, welk aantal vervolgens ook, blijkens een rapport van 26 mei 2000, door gedaagdes arbeidsdeskundige J. van de Velde is overgenomen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad, gepubliceerd in RSV 1997/283, stelt appellant zich op het standpunt dat van die - eerste - verklaring dient te worden uitgegaan.

Daarnaast is appellant van mening dat de berekening die Van de Velde in het kader van de onderhavige beoordeling heeft aangehouden, zoals uiteengezet in diens rapport van 19 december 2001 en zoals nader toegelicht in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R. Pel van 20 augustus 2002, feitelijk onjuist is. Mede onder verwijzing naar diverse verklaringen van onder meer de echtgenote van appellant en van de slachterij en de groothandel waar door appellants bedrijf werd ingekocht - doet appellant erop wijzen dat alleen al de openingstijden van de winkel 55 uur bedragen. Behalve het werk in de winkel verzorgde appellant echter ook nog de inkoop. Gelet daarop en mede nog in aanmerking genomen de uren die gemoeid zijn met het noodzakelijke voorwerk en nawerk in de winkel, doet een aantal van 55 uur volgens appellant geen recht aan de omvang waarin hij feitelijk werkzaam is geweest.

De Raad overweegt als volgt.

De opvatting van appellant dat gedaagde een maatgevende omvang van 70 uur per week had dienen aan te houden om reden dat hij destijds bij een eerdere beoordeling dat aantal aan gedaagde had opgegeven en gedaagdes arbeidsdeskundige zulks toen ook heeft overgenomen, kan niet worden gevolgd. Het ging daarbij om een eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling naar aanleiding van een gedeeltelijke uitval van appellant op 4 januari 1999. Uit de beschikbare stuken blijkt dat de desbetreffende aanvraag van appellant toen niet tot toekenning van uitkering heeft geleid, om reden dat appellant niet onafgebroken gedurende 52 weken arbeidsongeschikt werd geacht. De Raad stelt zich achter de opvatting van gedaagde dat, gelet daarop, de juiste vaststelling van de maatgevende omvang in het kader van die beoordeling niet van belang was en - reeds - daarom geen doorslaggevende betekenis mag worden toegekend aan de enkele vermelding - niet berustend op enig onderzoek, maar uitsluitend op de eigen opgave door appellant - in het arbeidskundig rapport van 26 mei 2000 van 70 uur per week.

Voorts merkt de Raad op dat de jurisprudentie van de Raad waarop namens appellant in dit kader een beroep worden gedaan, inzake het belang dat doorgaans toekomt aan de eerste door een betrokkene ten overstaan van een functionaris van gedaagde afgelegde verklaring, niet ziet op een situatie als hier aan de orde. In de eerste plaats is het hier, anders dan in die jurisprudentie, niet de betrokken verzekerde die naderhand wenst terug te komen van een eerder door hem afgelegde, voor hem nadien ongunstig uitwerkend gebleken, verklaring, maar is het het uitvoeringsorgaan dat afwijkt van die aanvankelijke verklaring. In de tweede plaats is de eerste verklaring waarop appellant doelt, zoals hiervoor vermeld, eveneens anders dan in die jurisprudentie, niet afgelegd in het kader van dezelfde, maar in het kader van een andere, voorliggende, arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.

Daarbij komt dan nog dat appellant zelf juist in het kader van de onderhavige uitkeringsaanvraag op het door hem op 13 juni 2001 ondertekende WAZ-formulier, in afwijking in zoverre van meergenoemde eerste opgave waarin hij uitging van 70 uur per week sec, heeft ingevuld dat hij op weekbasis 60 tot 70 uur werkzaam was en op jaarbasis circa 2900 uur.

De Raad kan zich evenwel ook niet vinden in het standpunt van gedaagde dat appellant in een omvang van (niet meer dan) 55 uur per week werkzaam is geweest. Naar aanleiding van evenvermelde opgave door appellant op het formulier van 13 juni 2001 heeft arbeidsdeskundige Van de Velde een nader onderzoek ingesteld. Daarbij is die arbeidsdeskundige, afgaande op de opgave van appellant dat de winkel geopend was van 09.00 uur tot 18.00 uur gedurende vijf dagen per week (dinsdag tot en met zaterdag) alsmede op de maandagmiddagen, en rekening houdend met het gegeven dat appellant ook wel eens een uurtje vroeger begon en voorts de administratie werd verzorgd door de echtgenote van appellant, uitgekomen op een totaal van 55 uur. Mede gelet op de door de bezwaararbeidsdeskundige Pel in diens rapport van 20 augustus 2002 verstrekte toelichting, begrijpt de Raad de berekening aldus dat gedaagde voor de openingstijden van de winkel kennelijk heeft aangehouden een totaal van circa 50 uur per week en daarnaast heeft rekening gehouden met voor- en nawerk van in totaal circa 5 uur per week.

De Raad is van oordeel dat op grond van de beschikbare gegevens het ervoor moet worden gehouden dat appellant ook de inkoop voor zijn rekening nam. Van de zijde van gedaagde wordt dit overigens ook niet ontkend. Op grond van hetgeen dienaangaande van de zijde van appellant is verklaard en mede gelet op de verklaringen van de slachterij [naam slachterij] van 23 november 2005 en van de groothandel [naam groothandel] van gelijke datum, is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat daarmee meer uren gemoeid waren dan door gedaagde met de berekening van het voor- en nawerk - waarin kennelijk volgens gedaagde de inkoop begrepen moet worden geacht - op in totaal 5 uur per week tot uitgangspunt is genomen.

De Raad acht het reel om het totaal aantal arbeidsuren van appellant, inclusief het voor- en nawerk en de inkoop, te bepalen op minimaal 57 uur en maximaal 60 uur per week. Objectieve aanwijzingen om nog meer uren in aanmerking te nemen ontbreken.

Aldus uitgaande van een maatgevende omvang van ten minste 57 uur per week, stelt de Raad vast dat appellant, ook bij toepassing van een reductiefactor met als teller 37 in plaats van 36 zoals door gedaagde nader is aangegeven in zijn brief van 25 maart 2004, reeds in aanmerking komt voor indeling in een hogere klasse dan de klasse waarvan in het bestreden besluit is uitgegaan.

Het bestreden besluit kan derhalve, als berustend op een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag, niet in stand blijven. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644, - voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en eveneens op 644, - voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x