Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AU9539
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAZ-uitkering. Juistheid van de medische en arbeidskundige grondslag.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5443 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 22 april 1999 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 21 juni 1999 ingetrokken.

De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 26 april 2002 het beroep van appellant tegen het besluit van gedaagde van 18 juli 2001, dat strekte tot ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 april 1999, gegrond verklaard, het besluit van 18 juli 2001 vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Gedaagde heeft ter uitvoering van deze uitspraak bij besluit van 28 oktober 2002 evenvermeld bezwaar andermaal ongegrond verklaard.

De rechtbank Almelo heeft het door mr. J.J. Paalman, advocaat te Almelo, namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 28 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 29 september 2003, reg.nr. 02/1001 WAZ AI A, ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellant heeft op bij aanvullende beroepschriften van 4 november en 9 december 2003 aangegeven gronden en onder overlegging van respectievelijk één en meerdere bijlagen tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft bij brief van 9 maart 2005 van verweer gediend en heeft op 21 maart 2005 de reactie van de bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus van 15 maart 2004 op het aanvullend beroepschrift van 9 december 2003 ingezonden.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 15 november 2005 nog een viertal stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen mr. D.H. Harbers, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant was werkzaam als zelfstandig agrariër gedurende ongeveer 70 uur per week toen hij op 1 mei 1993 uitviel met psychische en rugklachten. Na het doorlopen van de daarvoor geldende wachttijd is aan appellant met ingang van 2 mei 1994 een AAW-uitkering verstrekt, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze mate van arbeidsongeschiktheid gold ook laatstelijk voor de datum bij het primaire besluit van 22 april 1999 en het bestreden besluit in geding.

Voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit is appellant op 12 november 1998 onderzocht door de verzekeringsarts A.J. Mackor. In het rapport van zijn onderzoek van dezelfde datum heeft Mackor aangegeven dat appellant nog dagelijks beperkingen als gevolg van zijn rugproblematiek ondervindt, dat er verder bij het lichamelijk onderzoek geen duidelijke afwijkingen zijn gevonden, dat er geen aanwijzingen zijn voor evidente psychopathologie bij appellant, die ten tijde van het onderzoek door Mackor geen psychotherapie meer volgde en geen medicatie meer gebruikte. Gelet hierop achtte Mackor appellant beperkt voor met name rugbelastende werkzaamheden en liet hij de eerder voor appellant vastgestelde urenbeperking vervallen. Mackor legde zijn bevindingen vast in het FIS-formulier van 12 november 1998 door onder andere bij de onderdelen 13 (tillen) en 15 (dragen) de codes 1b te omcirkelen en de codes 2b bij het onderdeel 13 en 2c bij het onderdeel 15 te onderstrepen met de aantekening bij onderdeel 13 “7.5 kg., <50x” en bij onderdeel 15 “7.5 kg.”. Voorts nam Mackor een beperking op ten aanzien van het onderdeel 28B (dwingend werktempo). Een en ander vond uitwerking in het belastbaarheidspatroon van 10 december 1998 waarin bij het onderdeel 13 werd aangegeven “tillen 15 keer per uur 5 kg.” en bij het onderdeel 15 “dragen gedurende 1 uur per werkdag 5 kg.”. Vervolgens selecteerde de arbeidsdeskundige J.A. ’t Hooft blijkens zijn rapport van 8 januari 1999 een viertal functies en berekende hij, uitgaande van de middelste van de drie hoogst verlonende functies dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 25% was. Daarna nam gedaagde het primaire besluit.

In de bezwaarprocedure heeft de in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts Slebus in zijn rapport van 13 april 2000 aangegeven dat bij zijn onderzoek op 25 oktober 1999 de beweeglijkheid van de rug alzijdig zeer fors beperkt was, dat appellant psychisch een geheel normale indruk maakte en dat er geen aanwijzingen waren om aan psychopathologie te denken. Volgens Slebus was appellant vanwege een verminderde stresstolerantie aangewezen op eenvoudige, gestructureerde en voorspelbare, alsmede fysiek lichte werkzaamheden met vermijding van langdurig en/of gefixeerde standen dan wel beweging van pijnlijke gewrichten en schokken op die gewrichten. De door Mackor vastgestelde belastbaarheid achtte hij hiermee in overeenstemming en een urenbeperking achtte hij daarom niet aangewezen. Dit laatste lichtte hij nog nader toe in zijn rapport van 14 juni 2000.

Vervolgens is in de bezwaarprocedure een aan Slebus gericht rapport van het centrum voor revalidatie “Het Roessingh” van 6 april 2001 uitgebracht, alwaar appellant in april/mei 2000 het Rug Revalidatie Programma heeft gevolgd. In dit rapport is onder andere aangegeven dat appellant naast rug- ook nekklachten heeft en is melding gemaakt van een op X-foto’s waargenomen versmalling en lichte vernauwing op het niveau C6-C7. Volgens Slebus in zijn rapport van 19 april 2001 gaf het rapport van het Roessingh aanleiding om de nek ook ten aanzien van extreme standen te beperken. Slebus stelde een aangepast FIS-formulier van dezelfde datum op, hetgeen uitwerking vond in een gewijzigd belastbaarheidspatroon van 10 mei 2001 met aanscherpingen op een aantal onderdelen. Dit leidde de arbeidsdeskundige J. Jansen blijkens zijn rapport van 11 mei 2001 tot het laten vervallen van de functie monteur communicatie apparatuur en fundering van de schatting op de functies meteropnemer, bezorger leesportefeuille en prothese technicus. Volgens Jansen, die het maatmanloon ook nog herberekende door actualisering met behulp van de CBS-index-totaal, leidde een en ander tot een verlies aan verdienvermogen van 15,8%. Naar aanleiding van het van de zijde van appellant aangevoerde op de hoorzitting van 28 juni 2001 heeft Slebus in zijn rapport van 2 juli 2001 het opnemen van een beperking voor uitsluitend extreme standen van de nek nader toegelicht en ook overigens het stellen van verdergaande beperkingen afgewezen. Vervolgens handhaafde gedaagde het primaire besluit bij zijn besluit op bezwaar van 18 juli 2001.

De rechtbank heeft bij haar in rubriek I omschreven uitspraak van 26 april 2002 overwogen dat ten aanzien van de functie bezorger leesportefeuille door gedaagde in zijn besluit van 18 juli 2001 onvoldoende is gemotiveerd waarom deze functie ondanks de aangegeven restricties voor appellant geschikt is. De rechtbank heeft daarbij met name gewezen op de overschrijding in deze functie van de belastbaarheid van appellant op het onderdeel tillen. Dit leidde de rechtbank tot de slotsom dat niet voldoende geschikte functies resteren, zodat het besluit van 18 juli 2001 moet worden vernietigd.

Ter uitvoering van deze uitspraak van de rechtbank heeft gedaagde het thans bestreden besluit genomen, waarbij het primaire besluit andermaal is gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat Mackor op 12 november 1998 met een penaantekening op het door hem vastgestelde FIS-formulier de belastbaarheid van appellant op het onderdeel tillen heeft gesteld op 7,5 kg., en dat hiervan derhalve bij de beoordeling van de restricties moet worden uitgegaan. Voorts heeft gedaagde gewezen op het rapport van Slebus van 16 oktober 2002, waarin deze nogmaals uitvoerig is ingaan op de restricties in de functie bezorger leesportefeuille en onder andere heeft gesteld dat de overschrijding van het tillen in deze functie de frequentie (50 x per uur) betreft en niet het gewicht van niet meer dan 5 kg. waardoor de belasting met name wordt bepaald. Volgens Slebus is deze overschrijding aanvaardbaar.

In beroep heeft de gemachtigde van appellant onder andere gesteld dat het bestreden besluit in strijd is genomen met de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2002 omdat de rechtbank concludeerde dat onvoldoende voor appellant geschikte functies resteerden. Voorts heeft de gemachtigde herhaald dat de belasting in de drie resterende functies de belastbaarheid van appellant op een aantal punten overschrijdt. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde voorts gewezen op het in de beroepsprocedure, die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2002, reeds overgelegde rapport van de registerarbeidsdeskundige M.A.C. Poppen van 27 maart 2002, die inzake de functies bezorger leesportefeuille en meteropnemer toelichtte waarom deze naar zijn opvatting niet geschikt zijn. Verder legde de gemachtigde van appellant aan de rechtbank over een rapport van 28 oktober 2002 van de zenuwarts H.A. Hoefsloot, die vermeldde dat appellant zich in 2002 opnieuw arbeidsongeschikt heeft gemeld met onder andere psychische klachten, dat uit het rapport van het Roessingh niets blijkt van een stemmingsstoornis of sociale fobie, dat hij bij zijn onderzoek als diagnose heeft gesteld chronische posttraumatische stressstoornis, dysthyme stoornis, paniekstoornis met agorafobie, sociale fobie, alsmede een ongedifferentieerde somatoforme dan wel een pijnstoornis en dat de ernst van het ziektebeeld matig is en niet tot 100% maar ten hoogste tot 50% arbeidsongeschiktheid zou dienen te leiden. Voorts vermeldde Hoefsloot informatie van de behandelend psychiater uit de jaren 1993, 1994 en 1995, waarin ook sprake is van een chronische posttraumatische stressstoornis.

Naar aanleiding van het beroep hebben Slebus en de bezwaararbeidsdeskundige G.C. van Welzenis in hun rapport van 30 januari 2003 de overschrijdingen in de drie nog aan de schatting ten grondslag liggende functies per onderdeel nogmaals nader toegelicht en aanvaardbaar bevonden. Voort heeft Van Welzenis in een afzonderlijk rapport van 30 januari 2003 er op gewezen dat Poppen bij zijn bespreking van de functie bezorger leesportefeuille niet is uitgegaan van de in het FIS-systeem beoordeelde functiebelasting.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder het kopje “Het geschil” aangegeven dat het oordeel in haar uitspraak van 26 april 2002 dat de geschiktheid voor appellant van de functie bezorger leesportefeuille vanwege de restricties in die functie onvoldoende was gemotiveerd haar in die uitspraak geleid heeft tot vernietiging van het besluit van gedaagde van 18 juli 2001. De rechtbank heeft voorts aangegeven het belastbaarheidspatroon van 21 juli 1999, dat is gevoegd bij het verweerschrift en dat uitgaat van het door Mackor opgestelde belastbaarheidspatroon, zoals dit in april 2001 is aangepast op de onderdelen lopen, klimmem en klauteren, kortcyclisch buigen en torderen, gebruik van de nek en bovenhands werken, bij haar beoordeling tot uitgangspunt te nemen. De rechtbank heeft verder uitvoerig gemotiveerd waarom zij de psychische belastbaarheid van appellant op de datum in geding niet onjuist vond vastgesteld en heeft eveneens uitvoerig gemotiveerd waarom de drie resterende functies, ondanks de daarin optredende overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant, door haar voor appellant geschikt zijn bevonden. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte bezwaren tegen de vaststelling van de psychische belastbaarheid van appellant en zijn bezwaren tegen de geduide functies in het licht van zijn fysieke belastbaarheid in essentie herhaald.

De Raad stelt voorop dat hij, evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak blijkens de hiervoor weergegeven overwegingen onder het kopje “Het geschil” kennelijk heeft gedaan, de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2002 aldus begrijpt, dat de rechtbank naar aanleiding van al hetgeen zij heeft overwogen omtrent de geschiktheid van de functie leesbezorger portefeuille voor appellant, bezien in onderling verband, is overgegaan tot vernietiging van het besluit van 18 juli 2001 wegens onvoldoende motivering van die geschiktheid. Gelet hierop volgt de Raad dan ook niet de in eerste aanleg namens appellant voorgedragen en desgevraagd ter zitting van de Raad in hoger beroep niet prijsgegeven stelling dat het bestreden besluit in strijd is met de uitspraak van 26 april 2002.

De Raad stelt voorts vast dat in de uitspraak van 26 april 2002 door de rechtbank alleen een oordeel is gegeven over de geschiktheid voor appellant van de evenbedoelde functie, hetgeen meebrengt dat bij de aangevallen uitspraak en ook thans in hoger beroep de medische grondslag en de arbeidskundige grondslag voor het overige in beginsel nog steeds ter discussie en beoordeling staan.

Met inachtneming van de evenomschreven bij de beoordeling van het bestreden in hoger beroep in aanmerking te nemen uitgangspunten overweegt de Raad dat hij, evenals de rechtbank, in de beschikbaar gekomen medische informatie omtrent appellant geen aanknopingspunten heeft gezien om de vaststelling van de op de datum in geding voor appellant aan te houden belastbaarheid voor onjuist te houden. Met name is de Raad niet gebleken dat de door Slebus in zijn rapport van 2 juli 2001 gegeven motivering van de beperkingen van de nek onjuist zijn. De Raad is voorts van oordeel dat de belastbaarheid van appellant ten aanzien van tillen en dragen, zoals deze tot uitdrukking is gebracht in het FIS-formulier van 12 november 1998, mede bezien in het licht van het bij het verweerschrift in eerste aanleg gevoegde belastbaarheidspatroon, weliswaar niet uitmunt in helderheid, maar acht het, gelet ook op de toelichting van Slebus in onder andere evengenoemd rapport, aannemelijk dat van meet af aan - derhalve zonder dat sprake is van een ongeoorloofde relativering van de belastbaarheid achteraf - het uitgangspunt is geweest dat de belastbaarheid inzake tillen en dragen in feite tot 7,5 kg. reikte. Wat betreft de psychische belastbaarheid heeft ook de Raad in de beschikbare medische gegevens ten tijde van de datum in geding, waaronder mede de onderzoeken van Mackor en Slebus, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant toen meer beperkt was dan gedaagde heeft aangenomen. De Raad betrekt daarbij in zijn oordeel tevens, dat, zoals overigens ook door Hoefsloot is aangehaald, ook in het meergenoemde rapport van het Roessingh geen aanwijzingen naar voren komen die het aannemen van verdergaande psychische beperkingen ten tijde van de datum in geding aangewezen doen zijn. Ten slotte is door Slebus in zijn rapport van 14 juni 2000 naar het oordeel van de Raad genoegzaam toegelicht dat ten tijde van de datum in geding een urenbeperking, wat overigens ook zij van de reden om deze eerder wel te stellen, niet aangewezen was.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat de geschiktheid van appellant voor de functie prothese technicus tussen partijen in feite niet in geschil is. Wat betreft de functies bezorger leesportefeuille stemt de Raad in met de uitvoerige toelichting op de diverse overschrijdingen in deze functies, zoals deze is opgenomen in het rapport van Slebus van 16 oktober 2002 en Slebus en Van Welzenis van 30 januari 2003. De Raad tekent daarbij nog aan dat in de functie meteropnemer de aanmerkelijke belasting op het onderdeel duwen en trekken bij opname van de meterstand bij grootverbruikers in de buitenkast volgens de verwoording functiebelasting zich kan voordoen bij zware deuren ingeval van ijsvorming en sneeuwval. Dit doet zich, naar het de Raad voorkomt in verband met de heersende klimatologische omstandigheden hier te lande, bij uitzondering voor. Verder is de Raad van oordeel, dat, gezien de verkorte functieomschrijvingen van de functies meteropnemer en bezorger leesportefeuille, waaruit onder andere kan worden afgeleid dat in deze functies sprake is van hoofdzakelijk vaste werkwijzen en/of routes, niet kan worden gezegd dat deze functies niet voldoen aan de door Slebus in zijn rapport van 13 april 2000 geformuleerde eisen dat werkzaamheden voorspelbaar, gestructureerd en overzichtelijk moeten zijn. Ten slotte volgt de Raad appellant niet in zijn opvatting dat het aantal in de verwoording functiebelasting van de functies meteropnemer en bezorger leesportefeuille gepresenteerde overschrijdingen, gelet op de aard van die overschrijdingen zoals die blijkt uit de daarbij geplaatste aantekeningen dan wel op het feit dat het gaat om onderdelen van de psychische belastbaarheid waarvoor appellant niet beperkt is geacht, op zichzelf een doorslaggevende factor is bij de beoordeling van de geschiktheid van deze functies.

Uit al het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, waarin anders dan in het primaire besluit overigens terecht sprake is van een WAZ- uitkering, in rechte stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x