Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AU9615
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Meewerkend echtgenote in een ambachtelijke slagerij. Is het recht op WAZ-uitkering juist vastgesteld? Vier besluiten. Verzoek om schadevergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5137 WAZ, 03/5138 WAZ, 03/5159 WAZ en 03/5160 WAZ




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, op bij aanvullend beroepschrift ingediende gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 26 september 2003, onder reg.nrs. AWB 02/1830 t/m 02/1833 WAZ, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 20 september 2005 inlichtingen verstrekt en ontbrekende stukken toegezonden.

Bij brief van 15 november 2005 zijn namens appellante nog stukken ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 30 november 2005, waar namens appellante is verschenen mr. Grégoire, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante was werkzaam in de ambachtelijke slagerij van haar echtgenoot en haarzelf als meewerkend echtgenote. Op 30 oktober 1997 heeft gedaagde van haar een melding arbeidsongeschiktheid/aanvraag AAW-voorzieningen ontvangen. Op 6 juli 1998 heeft zij deze aanvraag telefonisch ingetrokken, hetgeen door gedaagde bij brief van 23 juli 1998 aan appellante is bevestigd. Op 20 november 2000 heeft appellante opnieuw een melding arbeidsongeschiktheid/aanvraag AAW-voorzieningen bij gedaagde ingediend. Daarop is haar een aanvraagformulier voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegezonden, dat op 19 februari 2001 door gedaagde ingevuld retour is ontvangen. Na medisch onderzoek door verzekeringsarts P.H.H.M. Genders, die een belastbaarheidspatroon opstelde, is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante vastgesteld op 1 januari 1995. Na arbeidskundig onderzoek door arbeidsdeskundige B.P. Brock is appellante blijkens een rapportage van 20 maart 2002 op basis van een theoretische schatting per 1 januari 1996 en 20 november 1999 65 tot 80% en per 29 augustus 2000 80 tot 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ geacht.
Voorts heeft Brock met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WAZ het door appellante in de jaren 1996, 1997 en 1998 met arbeid verworven inkomen gekort op de WAZ-uitkering, hetgeen resulteerde in een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% over de jaren 1996 en 1997 en 45 tot 55% over het jaar 1998. Per 1 januari 1999 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met toepassing van artikel 58, tweede lid, van de WAZ berekend op 55 tot 65%.

Bij besluit van 17 april 2002 is aan appellante ingaande 19 februari 2000 een WAZ-uitkering toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%.
Bij besluit van 19 april 2002 is de WAZ-uitkering van appellante wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 29 augustus 2000 herzien en nader vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.
Bij besluit van 18 april 2002 is de WAZ-uitkering van appellante per 31 december 2000 voor vijf jaar voortgezet naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.
Bij besluit van 26 april 2002 heeft gedaagde appellante meegedeeld dat haar verzoek om de WAZ-uitkering eerder te doen ingaan dan een jaar voor de datum van de aanvraag is afgewezen, omdat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 36, tweede lid, tweede volzin, van de WAZ.

De tegen de besluiten van 17, 18, 19 en 26 april 2002 gemaakte bezwaren heeft gedaagde bij vier besluiten van 6 november 2002 (hierna respectievelijk de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 4) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond en het beroep tegen de bestreden besluiten 2 tot en met 4 gegrond verklaard, de bezwaren tegen de besluiten van 18, 19 en 26 april 2002 niet-ontvankelijk verklaard en bepalingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.

In hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat zij vanaf 1 januari 1995 volledig arbeidsongeschikt was. De WAZ-uitkering dient eerder in te gaan omdat zij in 1997/1998 niet definitief heeft afgezien van haar recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering en, zo dit niet wordt gehonoreerd, dient toch in ieder geval de melding van 20 november 2000 te worden aangemerkt als aanvraag en niet het op 19 februari 2001 door gedaagde ontvangen aanvraagformulier.
Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat de rechtbank de toepassing van de anticumulatiebepalingen over 1996, 1997 en 1998 volledig had moeten toetsen.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de bezwaren tegen de besluiten van 18, 19 en 26 april 2002 refereert appellante zich aan het oordeel van de Raad.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad is, ambtshalve oordelend, van oordeel dat de rechtbank de bezwaren tegen de besluiten van 18, 19 en 26 april 2002 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Naar het oordeel van de Raad zijn deze drie besluiten alle onmiskenbaar gericht op rechtsgevolg. Het besluit van 18 april 2002 heeft als rechtsgevolg dat appellantes WAZ-uitkering in beginsel voor een periode van vijf jaar ongewijzigd wordt voortgezet. Het rechtsgevolg van het besluit van 19 april 2002 is verhoging van de WAZ-uitkering van appellante van een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per 29 augustus 2000. Het rechtsgevolg van het besluit van 26 april 2002 is dat de situatie van appellante niet als bijzonder geval wordt aangemerkt met als gevolg dat aan de WAZ-uitkering niet meer terugwerkende kracht wordt verleend dan een jaar voor de datum van de aanvraag. Gezien het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak voorzover daarbij de bestreden besluiten 2, 3 en 4 zijn vernietigd niet in stand blijven. De Raad ziet geen aanleiding de beroepen tegen deze besluiten terug te wijzen naar de rechtbank en zal deze beroepen zelf afdoen.

Ten aanzien van bestreden besluit 1 heeft gedaagde de Raad bij voormelde brief van 20 september 2005 meegedeeld dat bij nader inzien de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 januari 1996 op arbeidskundige gronden dient te worden gesteld op 80 tot 100%. Naar het oordeel van gedaagde heeft dit geen gevolgen voor de schatting per 19 februari 2000, nu wegens de toepassing van artikel 58 van de WAZ over de jaren 1996, 1997 en 1998 de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 1999 op grond van de feitelijke inkomsten van appellante ongewijzigd uitkomt op 55 tot 65%.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de WAZ wordt, indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheids- uitkering inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:
a. niet betaald, indien de inkomsten zodanig zijn, dat als die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of
b. indien onderdeel a niet van toepassing is, betaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat het recht op uitkering van rechtswege ontstaat, wanneer bij het einde van de wachttijd sprake is van een arbeidsongeschiktheid van 25% of meer en dat derhalve, ook als de uitkering nog niet wordt uitbetaald, vanaf dat moment kan worden geanticumuleerd en dat na drie jaar anticumulatie op basis van artikel 58, tweede lid, van de WAZ een schatting dient plaats te vinden. Gedaagde kent vervolgens een WAZ-uitkering toe naar het arbeidsongeschiktheidspercentage dat uit die schatting resulteert. Gedaagde meent dat appellante bij achterwege laten van de anticumulatie en de daaropvolgende schatting onevenredig zou worden bevoordeeld ten opzichte van andere uitkeringsgerechtigden.

De Raad volgt gedaagde hierin niet. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 10 september 1997, gepubliceerd in RSV 1998/2, en 9 januari 2002, gepubliceerd in RSV 2002/73, is de Raad van oordeel dat een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering niet eerder ontstaat dan per de in het toekenningsbesluit genoemde datum. In het geval van appellante is dat 19 februari 2000 zoals haar bij het besluit van 17 april 2001 is meegedeeld. Gezien het vorenstaande ontberen de fictieve anticumulatie over de jaren 1996, 1997 en 1998 en de daaropvolgende fictieve schatting per 1 januari 1999 een wettelijke grondslag. Dat als gevolg daarvan over de jaren 1996, 1997 en 1998 het inkomen van appellante niet kan worden geanticumuleerd met een WAZ-uitkering, werkt niet ten voordele van appellante. Immers, haar is over de betreffende jaren geen WAZ-uitkering toegekend.

Voorts is de Raad van oordeel dat appellante, gelet op het gestelde in vorenvermelde brief van gedaagde van 20 september 2005, per 19 februari 2000 niet 55 tot 65% maar 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Derhalve dient bestreden besluit 1 te worden vernietigd en kan de aangevallen uitspraak, ook voor zover deze betrekking heeft op bestreden besluit 1, niet in stand blijven. De Raad zal gedaagde opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 17 april 2002.

Ten aanzien van bestreden besluit 3 overweegt de Raad dat gelet op de inhoud van voormelde brief aan dit besluit en aan het primaire besluit van 19 april 2002 de grondslag is komen te ontvallen. Derhalve dient het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond te worden verklaard en dienen zowel bestreden besluit 3 als het besluit van 19 april 2002 te worden vernietigd.

Bestreden besluit 2 waarbij de WAZ-uitkering van appellante per 31 december 2000 voor vijf jaar ongewijzigd wordt voortgezet naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% berust naar het oordeel van de Raad op een juiste grondslag. Gelet daarop dient het beroep tegen dit besluit ongegrond te worden verklaard.

Met betrekking tot bestreden besluit 4 overweegt de Raad dat ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WAZ de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op de dag, met ingang waarvan de verzekerde aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Het tweede lid bepaalt, dat in afwijking van het eerste lid de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning van de uitkering werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

De Raad is van oordeel dat gezien appellantes mededeling aan gedaagde op 6 juli 1998 dat zij de toenmalige aanvraag niet door wilde zetten en de daaropvolgende, op verzoek van appellante gegeven bevestiging van deze mededeling door gedaagde, waartegen appellante niet is opgekomen, appellante klaarblijkelijk de bedoeling heeft gehad deze aanvraag in te trekken. Dit wordt bevestigd door de vermelding op het aanvraagformulier van 19 februari 2001 dat zij een eerdere aanvraag heeft teruggetrokken. Gelet daarop kan 30 oktober 1997 niet als dag van aanvraag worden aangemerkt.
Voorts is de Raad van oordeel dat de melding van 20 november 2000 niet kan worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WAZ. Daartoe wijst de Raad erop dat in artikel 33, eerste lid, en artikel 35, eerste lid, van de WAZ expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen een melding en een aanvraag, dit in tegenstelling tot de tot 1 januari 1998 geldende Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW), waarin alleen sprake is van een aanvraag (artikel 24, eerste lid, van de AAW). Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde dan ook op goede gronden 19 februari 2001 aangemerkt als datum van de aanvraag.
Evenals gedaagde is de Raad van oordeel dat appellante geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan haar situatie zou kunnen worden aangemerkt als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 36, tweede lid, tweede volzin, van de WAZ.
Gelet op het vorenstaande heeft gedaagde terecht de WAZ-uitkering van appellante conform het bepaalde in artikel 36, tweede lid, eerste volzin, van de WAZ laten ingaan op 19 februari 2000 en dient het beroep tegen bestreden besluit 4 ongegrond te worden verklaard.

Namens appellante is op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht gedaagde te veroordelen in de schade aan de kant van appellante.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat bestreden besluit 1 wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen WAZ-uitkering uit te spreken. Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarin over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht in eerste aanleg is beslist;
Verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 3 gegrond en vernietigt die besluiten;
Vernietigt het primaire besluit van 19 april 2002;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 17 april 2002 neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 87,- vergoedt.
Verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten 2 en 4 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x