Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AV1232
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schatting WAZ-uitkering. Geschiktheid voor de geselecteerde functies. Heroverweging met behulp van het aangepaste CBBS-systeem leidt niet tot een andere uitkomst.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5722 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is door N.D. Bovenkamp-Daane hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 13 oktober 2003 onder kenmerk 03/562 WAZ K1 door de rechtbank te Roermond gewezen uitspraak. Bij brief van 7 oktober 2005 zijn de gronden aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, dat is aangevuld bij brief van 11 februari 2004. Bij brieven van 15 februari 2005, 24 mei 2005, 27 september 2005 en 17 oktober 2005 heeft gedaagde vragen beantwoord en nadere stukken toegezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 18 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden mr. S.J.C. Hendriks en L.A.M. de Groot Heupner, verbonden aan De Groot Heupner B.V. te Wijchen en waar gedaagde werd vertegenwoordigd door W.J.M.H.L. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de feiten die ook de rechtbank als vaststaand heeft aangenomen en volstaat hier met het volgende.

Bij zijn besluit van 15 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn besluit van 26 november 2002 gehandhaafd waarmee aan appellant met ingang van 14 juni 2002 een uitkering is toegekend ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (hierna: WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het bestreden besluit berust op een juiste, althans toereikende, medische grondslag en dat er geen reden is te concluderen dat de arbeidskundige beoordeling de rechterlijke toets niet zou kunnen doorstaan.

Appellant heeft de juistheid van die uitspraak bestreden. Appellant vindt het tegenstrijdig dat op een aantal punten van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 september 2003 beperkingen zijn vermeld terwijl op die punten toch een normaalwaarde is gescoord. Voorts heeft hij doen aanvoeren dat gedaagde zijn medische beperkingen heeft onderschat en dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten. Ten slotte stelt appellant zich op het standpunt dat gedaagde heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel nu hij de situatie van appellant niet integraal heeft getoetst aan het na de uitspraken van 9 november 2004 van de Raad aangepaste Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (hierna: CBBS-systeem).

De Raad merkt allereerst op dat gedaagde in de loop van de procedure in hoger beroep zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft gewijzigd. De bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen heeft op 20 januari 2004 alsnog aanleiding gezien de FML, die per de in geding zijnde datum 14 juni 2002 van toepassing is, bij te stellen op het aspect hand- en vingergebruik. Bij brief van 11 februari 2004 heeft gedaagde voorts medegedeeld dat de in eerste instantie aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 14 juni 2002 ten grondslag gelegde functies niet worden gehandhaafd, maar dat bij consultatie van het CBBS drie andere geschikte functies zijn gevonden, waar de schatting op gebaseerd kan worden. Deze functies waren ook op 14 juni 2002 actueel en het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage wijzigt hiermee niet.
Een en ander leidt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard moeten worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad dient vervolgens te bezien of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van dit besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb geheel in stand kunnen worden gelaten. Hij overweegt in dit verband het volgende.

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde de belastbaarheid van appellant per 14 juni 2002 heeft overschat. Daarbij is onder meer in aanmerking genomen dat Heeskens-Reijnen de beschikking had over de onderzoeksresultaten van de verzekeringsarts J.F.M.M. van der Hart, neergelegd in diens rapportages van 17 juli 2002 en 3 september 2002, alsmede over het verslag van 28 augustus 2002 van het op verzoek van Van der Hart door de klinisch psycholoog drs. M.P. Steger ingestelde neuropsychologisch onderzoek en voorts over het verslag van 16 augustus 2002 van de expertise die door de neuroloog P.M.G.A.W. Mulkens werd verricht in opdracht van de particuliere verzekering van appellant. Alle beschikbare gegevens zijn door Heeskens-Reijnen besproken en afgewogen in haar rapporten van 8 april 2003 en 20 januari 2004, waarna zij tot een gemotiveerde conclusie is gekomen. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd die twijfel wekken aan de conclusies van Heeskens-Reijnen. Met betrekking tot de door de gemachtigde van appellant gesignaleerde tegenstrijdigheid tussen de in de FML gestelde beperkingen op een aantal items en het desondanks in stand laten van de normaalwaarden op die items heeft de gemachtigde van gedaagde ter zitting een bevredigende verklaring en toelichting gegeven.

Wat betreft het arbeidskundig aspect overweegt de Raad allereerst dat niet valt in te zien waarom gedaagde zijn standpunt had moeten heroverwegen met behulp van het aangepaste CBBS-systeem. Die aanpassing heeft namelijk betrekking op een meer overzichtelijke presentatie en verbeterde motivering, maar leidt niet tot een andere uitkomst. De nadere motivering is in het onderhavige geval reeds gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten in diens rapport van 16 december 2003.

Blijkens het verweerschrift met bijlagen heeft gedaagde thans aan de schatting ten grondslag gelegd de functies van productiemedewerker textiel/stikster (Sbc-code 272043), medewerker cleanroom (Sbc-code 271130) en assemblage- medewerker gehoorapparatuur (Sbc-code 111180). Gedaagde heeft naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk gemaakt dat deze functies ook op de in geding zijnde datum actueel waren. Wat betreft eerstgenoemde functie blijkt dit uit de per fax van 17 oktober 2005 door gedaagde onder nummer Sbc-code 272040 toegezonden functiebeschrijving, die geheel overeenkomt met de beschrijving onder Sbc-code 272043. De Raad acht het alleszins aannemelijk dat het hier om dezelfde functie gaat.

De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellant zou overschrijden en is van oordeel dat thans ook voldoende arbeidskundige grondslag voor het bestreden besluit bestaat.

Nu in de hoger beroepsfase uiteindelijk een toereikende onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit ziet de Raad aanleiding voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand kunnen worden gelaten.
De Raad acht termen aanwezig gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 118,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.P.M. van de Kerkhof en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x