Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AV2427
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ingangsdatum van de WAZ-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1795 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. A.S. van der Biezen, advocaat te s-Hertogenbosch, op bij aanvullend beroepschrift, met bijlage, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank s-Hertogenbosch op 26 februari 2004, onder reg.nr. AWB 02/3405 WAZ, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 14 juli 2004 nog een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Biezen, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen P.M.W. van der Helm, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant was werkzaam als zelfstandig horecaondernemer. Begin 1998 is hij uitgevallen met psychische klachten, waarna hij zijn bedrijf heeft moeten staken. Op 19 november 2001 heeft gedaagde van appellant een niet volledig ingevuld aanvraagformulier voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ontvangen. Na completering is deze aanvraag op 6 februari 2002 in behandeling genomen. Bij besluit van 3 juli 2002 is appellant, uitgaande van 1 februari 1998 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, met ingang van 6 februari 2001 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt, waarbij is aangevoerd dat de uitkering op een eerder tijdstip dient in te gaan, omdat appellant dient te worden aangemerkt als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ. Bij besluit van 16 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de belangen van eiser - geboren op 14 oktober 1953 - bevoegdelijk werden behartigd door een vertegenwoordiger, hetgeen inhoudt dat de omstandigheden van appellant zelf in aanmerking moeten worden genomen.
De rechtbank heeft in de door appellant genoemde omstandigheden geen reden gezien om aan te nemen dat appellant niet eerder in staat is geweest een aanvraag in te dienen. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de voorhanden medische informatie van de Riagg van 2 december 1997 en de GGZ van 1 november 2000 en 30 mei 2002, waaruit blijkt dat appellant vanaf 25 oktober 1997 bekend is bij de GGZ en dat hij vanaf 6 september 2000 tot en met 15 oktober 2000 voor de eerste keer opgenomen is geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. Tevens blijkt uit die informatie dat de behandelend psychiater appellant in november 2000 in staat achtte zijn maatschappelijke problemen het hoofd te bieden. Dat appellant niet in staat zou zijn geweest eerder dan op 6 februari 2002 een aanvraag in te dienen valt uit deze informatie niet af te leiden, aldus de rechtbank, terwijl appellant ook geen nadere medische onderbouwing heeft gegeven van voormelde stelling. De rechtbank concludeert dat met name niet is gebleken dat appellant in de litigieuze periode niet in staat was zijn eigen wil te bepalen en keuzes te maken en deswege niet op het juiste moment gebruik te maken van de mogelijkheden welke hem op basis van de WAZ toekwamen en dat gedaagde er terecht op heeft gewezen dat appellant in de relevante periode onder andere contact had met zijn boekhouder en zijn huidige gemachtigde, die hem ter zake hadden kunnen bijstaan en dat ook zijn partner dit had kunnen doen. De rechtbank is van oordeel dat, nu niet gesteld kan worden dat appellant ter zake van de late aanvraag redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest, geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ, zodat er geen aanleiding was voor gedaagde appellant eerder dan 1 jaar voor datum aanvraag een WAZ-uitkering toe te kennen.

De Raad oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de WAZ kan de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning van de uitkering werd ingediend. In bijzondere gevallen kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van deze regel afwijken.

De Raad deelt het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank en onderschrijft hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen. De Raad voegt daaraan toe dat niet in geding is dat appellant in het tijdvak tussen zijn uitval in januari 1998 en de door gedaagde terecht als aanvraagdatum aangehouden datum 6 februari 2002 met ernstige psychische problemen te kampen had. Mogelijk was aanvankelijk ook - zoals door de gemachtigde van appellant ter zitting is gesteld - sprake van een gebrek aan ziekte-inzicht, maar dit neemt niet weg dat er perioden zijn geweest dat appellant wel in staat moest worden geacht zijn zaken te behartigen, hetgeen onder meer is op te maken uit voormelde brief van 1 november 2000, afkomstig van de behandelend psychiater. Dat deze brief, zoals appellant ter zitting heeft verklaard, is geschreven ter voorkoming van ondercuratelestelling, kan hier niet aan afdoen, aangezien de psychiater vanuit zijn professionele verantwoordelijkheid geacht kan worden de situatie te hebben weergegeven zoals die op dat moment feitelijk was. Bovendien heeft appellant ter zitting van de Raad verklaard dat zijn accountant hem ook al eerder op de mogelijkheid van het aanvragen van een WAZ-uitkering had gewezen, maar dat hij daar om hem moverende redenen niet aan heeft willen meewerken.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x