Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AV5296
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing verdagingsverzoeken; grondslag en ingangsdatum van de WAZ-uitkering en de toeslag; instandlating van de rechtsgevolgen van de intrekking van het "kopje"; ongewijzigde vaststelling van de WAZ-uitkering; afwijzing proceskostenvergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/396 WAZ, 04/397 WAZ,  05/69 WAZ, 05/70 WAZ en 05/2031 WAZ




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij afzonderlijke beroepschriften aangegeven gronden, telkens onder overlegging van bijlagen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 15 december 2003, reg.nr. WAZ 01/1261 en 02/845 (hierna: uitspraak 1), 14 december 2004, reg.nr. WAZ 04/1129 (hierna: uitspraak 2), en 8 december 2004, reg.nr. WAZ 04/348 (hierna: uitspraak 3). Appellant heeft in het geding met betrekking tot uitspraak 1 bij brief van 11 februari 2004 op het hem toegezonden proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 20 oktober 2003 gereageerd en heeft voorts in het geding met betrekking tot uitspraak 2 bij brief van 21 januari 2005 het hoger beroep aangevuld.

Gedaagde heeft in de gedingen met betrekking tot de uitspraken 1, 2 en 3 van verweer gediend. Bij zijn verweerschrift ter zake van uitspraak 2 heeft gedaagde gevoegd een nadere beslissing op bezwaar van 14 februari 2005.


Appellant heeft op de verweerschriften ter zake van de uitspraken 2 en 3 gereageerd.
Appellant heeft voorts zijn standpunt met betrekking tot de uitspraken 1, 2 en 3 in een bij de Raad op 13 januari 2006 ontvangen stuk nader uiteengezet.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 24 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde A.M.H. Hogervorst, en waar namens gedaagde is verschenen mr. L. Ritsma, werkzaam bij het UWV.




II. MOTIVERING


Algemeen

Appellant was werkzaam als zelfstandige in verschillende bedrijven en heeft op 4 oktober 1999 een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Naar aanleiding van die aanvraag heeft gedaagde bij besluit van 29 december 2000, uitgaande van 1 januari 1996 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, aan appellant met ingang van 4 oktober 1998 een WAZ-uitkering toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en gebaseerd op de grondslag van f 106,09 per dag. Voorts werd bij dit besluit de betaling van deze uitkering opgeschort in afwachting van de ontvangst van de winstcijfers over 1993 tot 2001. Nadien zijn diverse besluiten genomen door gedaagde met betrekking tot de WAZ-uitkering van appellant. Zo is bij besluit van 15 oktober 2001 in verband met de ontvangst van de jaarstukken over 1991 tot 1996 de grondslag van de WAZ-uitkering alsnog vastgesteld op een individuele grondslag van f 24,37. Bij twee afzonderlijke besluiten van 28 augustus 2003 is aan appellant met ingang van 1 september 2003 een voorschot op een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend en met ingang van 4 oktober 1998 een aanvulling op de WAZ-uitkering - een zogeheten kopje - op grond van artikel 48 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid. Dit kopje is met ingang van 1 september 2003 gewijzigd vastgesteld. Bij twee eveneens afzonderlijke besluiten van 23 januari 2004 heeft gedaagde bij gebreke van inkomsten over 2002 de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant ongewijzigd vastgesteld en naar aanleiding van de desbetreffende aanvraag van appellant deze uitkering met ingang van 4 oktober 2003 ongewijzigd voortgezet.
Ten slotte heeft gedaagde naar aanleiding van de ontvangst van de jaarstukken over 2001 bij besluit van 13 februari 2003 de WAZ-uitkering over dat jaar ongewijzigd vastgesteld.

Al deze primaire besluiten hebben geleid tot bezwaarprocedures. Bij besluit van 15 juni 2001 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen de toekenning van de WAZ-uitkering, onder andere verband houdende met de ingangsdatum en de hoogte van de grondslag, ongegrond verklaard. Een zelfde beslissing gaf gedaagde bij besluit van 11 juni 2002 (hierna: besluit 2) op het bezwaar tegen de wijziging van de grondslag. Bij besluit van 27 april 2004 (hierna: besluit 3) verklaarde gedaagde eveneens ongegrond de bezwaren van appellant tegen het voorschotbesluit inzake de toeslag, de ongewijzigde vaststelling van de WAZ-uitkering over 2002 en de voortzetting van de WAZ-uitkering met ingang van 4 oktober 2003. Bij besluit 3 trok gedaagde voorts het kopje in met ingang van 1 mei 2004. Tenslotte verklaarde gedaagde bij zijn besluit van 13 januari 2004 (hierna: besluit 4) het bezwaar tegen de ongewijzigde vaststelling van de WAZ-uitkering over 2001 ongegrond.

De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak 1 de beroepen van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorts bij uitspraak 2 het beroep tegen besluit 3, voorzover dit betrekking heeft op het voorschot op de toeslag en op het kopje, gegrond verklaard, besluit 3 in zoverre vernietigd, gedaagde opgedragen ten aanzien van de toeslag een nieuw besluit op bezwaar te nemen en de rechtsgevolgen van besluit 3, voorzover betreffende het kopje, in stand gelaten. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 3 voor het overige ongegrond verklaard, onder toekenning aan appellant van vergoeding van het griffierecht. Bij uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 4 gegrond verklaard, besluit 4 vernietigd, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 februari 2003 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat uitspraak 3 in de plaats treedt van het vernietigde besluit 4, een en ander onder toekenning aan appellant van vergoeding van het griffierecht.

Naar aanleiding van uitspraak 2 heeft gedaagde zijn besluit van 14 februari 2005 (hierna: besluit 5) genomen, waarbij hij het bezwaar van appellant tegen de hoogte en de ingangsdatum van de toeslag met een gewijzigde motivering ongegrond heeft verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep tegen de uitspraken 1,2 en 3 tal van grieven ingebracht.
In eerdere fasen van de procedures heeft appellant eveneens tal van gronden en argumenten tegen de verschillende primaire besluiten en de besluiten 1, 2, 3 en 4 ingebracht. Gelet hierop alsmede op het verhandelde ter zitting begrijpt de Raad deze grieven, gronden en argumenten aldus dat appellant in bijzonder bezwaar heeft tegen de afwijzing bij de uitspraken 2 en 3 van de verzoeken om verdaging van de zittingen van respectievelijk 1 december 2004 en 26 november 2004, de grondslag en de ingangsdatum van de hem toegekende WAZ-uitkering en toeslag, de instandlating bij uitspraak 2 van de rechtsgevolgen van de intrekking van het kopje bij besluit 3, de ongewijzigde vaststelling van de WAZ-uitkering over de jaren 2001 en 2002, alsmede de afwijzing van vergoeding van proceskosten bij de uitspraken 2 en 3. Mede in aanmerking genomen dat de overige door appellant ingebrachte grieven, gronden en argumenten in feite ook hoofdzakelijk verband houden met de even genoemde punten van geschil, zal de Raad zich bij de beoordeling van de uitspraken 1, 2 en 3 hiertoe beperken en deze punten van geschil hierna achtereenvolgens bespreken.



Afwijzing verdagingsverzoeken bij uitspraken 2 en 3

Blijkens de uitspraken 2 onderscheidelijk 3 heeft appellant met betrekking tot de behandeling van zijn beroepen de rechtbank verzocht de zitting van 1 december 2004 respectievelijk de zitting van 26 november 2004 te verdagen. De rechtbank heeft, na blijkens de uitspraken 2 en 3 eerdere verdagingsverzoeken te hebben ingewilligd, onder verwijzing naar de toen van toepassing zijnde procesregeling bestuursrecht uitvoerig gemotiveerd om welke redenen zij heeft besloten tot afwijzing van deze verzoeken. De Raad heeft in deze motivering geen aanknopingspunten aangetroffen voor het oordeel dat de rechtbank het in deze procesregeling verwoorde uitstelbeleid onjuist heeft toegepast. Met name heeft ook de Raad in de in uitspraak 3 samengevat weergegeven, door appellant met het oog op zijn verdagingsverzoek overgelegde, verklaring van de arts voor natuurgeneeswijze en huisarts D. Groot, gestempeld 25 november 2004, niet gelezen dat de gezondheidstoestand van appellant zodanig was dat verdaging van de behandeling van appellants beroep ter zitting van de rechtbank zonder meer aangewezen was.
De Raad ziet er daarbij ook niet aan voorbij dat, zoals de rechtbank in de uitspraken 2 en 3 met juistheid heeft overwogen, appellant ten behoeve van de mondelinge behandeling van zijn beroepen voor de betreffende zittingen met toepassing van artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is uitgenodigd en niet op de voet van artikel 8:59 van de Awb is opgeroepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde ter zitting te verschijnen.



De grondslag en de ingangsdatum van de WAZ-uitkering en de toeslag

De Raad heeft geen redenen gezien als onjuist te beschouwen het oordeel van de rechtbank bij uitspraak 1 dat in de toekenningsbeslissing van de WAZ-uitkering voldoende duidelijk was geredigeerd dat de aanvankelijke bepaling van de grondslag van de WAZ-uitkering op f 106,09 een voorlopige was in afwachting van voor die bepaling relevante gegevens omtrent de winst in de in aanmerking komende jaren. Voorts is de Raad niet gebleken dat de uiteindelijke vaststelling van die grondslag bij besluit 2 op zichzelf onjuist is. De Raad volgt - met gedaagde in besluit 1 - niet het standpunt van appellant dat de vaststelling van die grondslag, waardoor appellant niet is verzekerd van het in Nederland geldende minimuminkomen, in strijd is met het International Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en de artikelen 23 en 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, reeds niet omdat, voorzover in deze verdragen bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot het recht op een bepaalde levenstandaard, deze bepalingen, voorzover al rechtstreeks van toepassing, geen 100% van het wettelijk minimuminkomen in Nederland waarborgen.

Wat betreft de weigering van gedaagde om aan de toekenning aan appellant naar aanleiding van zijn op 4 oktober 1999 gedateerde aanvraag om een WAZ-uitkering op de voet van artikel 36, tweede lid, van de WAZ bij gebreke van een bijzonder geval een verderstrekkende terugwerkende kracht te verlenen dan gedaagde heeft gedaan bij zijn besluit van 29 december 2000 door de ingangsdatum van de WAZ-uitkering te bepalen op 4 oktober 1998, onderschrijft de Raad geheel hetgeen de rechtbank in uitspraak 1 ter zake heeft overwogen. De Raad voegt daar nog aan toe dat weliswaar op zich niet geheel onbegrijpelijk is het standpunt van appellant, dat er op neerkomt dat eerst met reden een WAZ-uitkering kan worden aangevraagd wanneer, na een aanvankelijk bestaand verschil van inzicht in de te hanteren diagnose bij zich al langer voordoende medische beperkingen, de medische oorzaak van de arbeidsongeschiktheid definitief is vastgesteld, maar dat dit standpunt niet af kan doen aan het in de jurisprudentie van de Raad bestendig gestelde vereiste dat, voorzover hier van belang, eerst sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in evengenoemd artikellid wanneer de verzekerde om medische en/of psychische redenen kennelijk niet in staat is geweest om eerder een aanvraag in te dienen. Met de rechtbank op de door haar gebezigde gronden staat ook voor de Raad vast dat daarvan in het geval van appellant geen sprake is geweest.

Ten aanzien van de aan appellant in afwachting van de jaarstukken over 2002 en 2003 op 28 augustus 2003 vooralsnog met ingang van 1 september 2003 toegekende toeslag, welke toekenning bij besluit 3 is gehandhaafd, overweegt de Raad als volgt.

De rechtbank heeft bij uitspraak 2 besluit 3 voor een deel vernietigd omdat bij de boordeling of er naar aanleiding van de op 27 augustus 2003 ingediende aanvraag om een toeslag sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW ten onrechte niet onder ogen is gezien de omstandigheid dat appellant als gevolg van de besluitvorming omtrent zijn recht op een WAZ-uitkering eerst na het nemen van besluit 2 op 11 juni 2002 aanleiding had om aan te nemen dat hij recht op toeslag zou kunnen hebben. Vanwege dit gebrek vernietigde de rechtbank besluit 3 in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en droeg zij gedaagde op met betrekking tot de aanspraak van appellant ingevolge de TW een nadere beslissing te nemen.

Ter uitvoering van evenbedoeld onderdeel van uitspraak 2 heeft gedaagde zijn besluit van 14 februari 2005 (hierna: besluit 5) genomen, dat andermaal strekt tot handhaving van het primaire toekenningsbesluit omtrent de toeslag. Bij besluit 5 is er – kennelijk anders overigens dan de rechtbank maar zeker niet ten nadele van appellant – vanuit gegaan dat appellant op 28 juli 2003 per fax om een toeslag heeft verzocht en dat het primaire toekenningsbesluit vooralsnog uitging van een toeslag bij wege van voorschot met ingang van 1 september 2003 en na ontvangst van de jaarstukken over 2002 en 2003 van een beoordeling over de periode van 28 juli 2002 tot 1 september 2003. Vervolgens heeft gedaagde overwogen dat appellant reeds met de ontvangst van het primaire besluit van 15 oktober 2001 inzake vaststelling van de individuele grondslag voor de WAZ-uitkering op de hoogte was van het feit dat zijn inkomen met ingang van 4 oktober 1998 minder dan 70% van het minimumloon zou bedragen. Volgens gedaagde had appellant derhalve op dat moment reeds een toeslag kunnen aanvragen en is niet gebleken van omstandigheden ten gevolge waarvan een dergelijke aanvraag niet eerder had kunnen worden gedaan, zodat gedaagde bij besluit 5 geen bijzonder geval aannam.

Met besluit 5, waarbij ter uitvoering van uitspraak 2, een nieuwe besluit op het bezwaar van appellant tegen het toekenningsbesluit inzake de toeslag is genomen, is gedaagde door dit bezwaar, zij het met een ten opzichte van besluit 3 gewijzigde motivering, andermaal ongegrond te verklaren niet tegemoet gekomen aan het beroep van appellant tegen het op dit toekenningsbesluit betrekking hebbende onderdeel van besluit 3.
Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, dient het hierbedoelde onderdeel van het beroep van appellant tegen besluit 3 derhalve te worden geacht mede te zijn gericht tegen besluit 5.
Van een belang bij de beoordeling door de Raad van de rechtmatigheid van besluit 3 in zoverre is de Raad niet kunnen blijken. Hierbij houdt de Raad het er voor dat, voorzover appellant in hoger beroep schadevergoeding heeft gevorderd, dit niet of niet mede verband houdt met het hier aan orde zijnde onderdeel van besluit 3. Gelet op een en ander dient appellant in zoverre in zijn hoger beroep tegen uitspraak 2 niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot besluit 5 is de Raad met gedaagde van oordeel dat appellant met de ontvangst van het hier bedoelde besluit van 15 oktober 2001 had kunnen en moeten begrijpen dat hij eerder, namelijk zo spoedig mogelijk na de ontvangst van laatsgenoemd besluit, een toeslag ingevolge de TW had moeten aanvragen. Door eerst te wachten met indiening van die aanvraag tot 28 juli 2003, derhalve ongeveer één en driekwart jaar na het nemen door gedaagde van evengenoemd besluit kan ook naar het oordeel van de Raad in verband met het uiteindelijke tijdstip van indiening van de aanvraag om een toeslag niet meer worden gesproken van een bijzonder geval in de zin van artikel 11, zevende lid, van de TW.

Het mede tegen besluit 5 gericht geachte beroep van appellant dient derhalve ongegrond te worden verklaard.



Instandlating rechtsgevolgen intrekking kopje bij uitspraak 2

De Raad volstaat met verwijzing naar hetgeen hij hiervoor heeft overwogen omtrent de grondslag van de aan appellant toegekende WAZ-uitkering, voorzover appellant van mening is dat de intrekking bij besluit 3 van het kopje met ingang van 1 mei 2004 onjuist is vanwege de door hem betwiste grondslag van de WAZ-uitkering. Voor het overige stelt de Raad vast dat de rechtbank besluit 3, voorzover betreffende het kopje, in feite alleen heeft vernietigd om redenen ontleend aan de op grond van artikel 7:11 van de Awb door gedaagde te verrichten heroverweging van het primaire besluit van 28 augustus 2003 inzake de toekenning aan appellant van een kopje en dat de rechtbank de rechtsgevolgen van dit onderdeel van het vernietigde besluit 3 in stand heeft gelaten omdat gedaagde, zoals van zijn zijde ter zitting van de rechtbank op 1 december 2004 is verklaard, inmiddels in een afzonderlijk besluit had neergelegd dat het kopje met ingang van 1 juni - naar de raad aanneemt 2004 - was beëindigd, waartegen appellant overigens bezwaar heeft gemaakt.



Ongewijzigde vaststelling WAZ-uitkering over 2001 en 2002

Deze besluitvorming, welke deel uitmaakt van besluit 3 en het enige onderwerp van besluit 4 vormt, is tot stand gekomen naar aanleiding van de ontvangst door gedaagde van de jaarstukken over 2001 en 2002. Terzake van de daarop betrekking hebbende uitspraken 2 en 3 stelt de Raad vast dat, terwijl bij uitspraak 3 besluit 4 is vernietigd en het bezwaar tegen het primaire besluit van 13 februari 2003 niet-ontvankelijk is verklaard, uitspraak 2 onder andere strekte tot ongegrondverklaring van het beroep van appellant tegen besluit 3, voorzover daarbij het bezwaar tegen de ongewijzigde vaststelling over 2002 ongegrond was verklaard.

In uitspraak 3 heeft de rechtbank aan de even vermelde niet-ontvankelijk verklaring de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:
"Bij zijn besluit van 13 februari 2003 heeft verweerder beslist over de toepassing van artikel 58 van de WAZ op eisers uitkering over het jaar 2002. Aangezien de hoogte van eisers maatmaninkomen in dat kader - in beginsel - een rol speelt, kan eiser de door verweerder gekozen hoogte van zijn maatmaninkomen in zijn bezwaar tegen dat besluit aan de orde stellen en moet verweerder in zijn heroverweging die keuze verantwoorden zonder zich daarbij uitsluitend te beroepen op eerdere besluitvorming over eisers maatmaninkomen.
Het voorgaande neemt echter niet weg dat het op rechtsgevolg gerichte besluit dat verweerder op 13 februari 2003 heeft genomen niet meer inhoudt dan dat eisers inkomen als zelfstandige in 2002 geen reden geeft voor het niet of slechts deels uitbetalen van zijn uitkering over 2002. Aangezien eisers inkomen als zelfstandige in 2002 negatief was, heeft verweerder zonder nadere vergelijking van dit inkomen met eisers maatmaninkomen tot dit besluit kunnen komen. De hoogte van eisers maatmaninkomen was in dit geval dus niet van belang. Maar nog los daarvan kan eiser met het ter discussie stellen van zijn maatmaninkomen niet bereiken dat verweerder een voor hem gunstiger besluit neemt dan dat van 13 februari 2003. Een gunstiger besluit dat “er is geen reden om uw uitkering niet of slechts deels uit te betalen” is er immers niet. De rechtbank benadrukt hierbij nogmaals dat verweerder geen zelfstandig, op rechtsgevolg gericht besluit heeft genomen over de hoogte van eisers maatmaninkomen.
De conclusie is daarom dat eiser, nu hij met het maken van bezwaar geen beter besluit kon bewerkstelligen dan hij al had, geen belang had bij een heroverweging door verweerder van het besluit van 13 februari 2003. Verweerder had eisers bezwaar vanwege het ontbreken van dat belang niet-ontvankelijk moeten verklaren."

De Raad onderschrijft deze overwegingen en merkt daartoe nog op dat in het besluit van 13 februari 2003 als grondslag is vermeld artikel 38 van de WAZ, welk artikel de ingangsdatum van de herziening en de heropening van de WAZ-uitkering regelt.
In besluit 4 is daarentegen als grondslag vermeld artikel 58 van de WAZ, het zogeheten anticumulatieartikel bij inkomsten uit arbeid. Hoewel de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad aangaf voor deze grondslagwijziging bij besluit 4 geen verklaring te hebben, heeft de Raad, mede gelet op het rapport van de arbeidsdeskundige C. van Nierop van 5 januari 2003, waarin deze de betekenis van de negatieve inkomsten van appellant uit zelfstandige arbeid over het jaar 2001 beoordeelde, geen aanknopingspunten om de bij besluit 4 kennelijk beoogde wijziging van de wettelijke grondslag van het besluit van 13 februari 2003 rechtens voor onjuist te houden.
Dit brengt naar het oordeel van de Raad tevens mee dat, voor zover het bezwaar van appellant mede zag op de hoogte van de grondslag van zijn WAZ-uitkering, dit onderdeel van het bezwaar buiten de omvang van de heroverweging in de bezwaarprocedure viel.

Het vorenstaande met betrekking tot de beoordeling van de jaarstukken over 2001 leidt de Raad tot de slotsom, mede gelet op de vergelijkbare beoordeling van Van Nierop van de jaarstukken over 2002 in zijn rapport van 16 januari 2004, dat de rechtbank in uitspraak 2 ten aanzien van dat onderdeel van besluit 3, dat betrekking heeft op het primaire besluit van 23 januari 2004 ten aanzien van de jaarstukken over 2002, tot hetzelfde oordeel had dienen te komen als zij bij uitspraak 3 heeft gegeven over besluit 4.
Uitspraak 2 dient derhalve in zoverre te worden vernietigd. Voorts zal de Raad op de in rubriek III aangegeven wijze doen wat de rechtbank had behoren te doen met betrekking tot het hier bedoelde onderdeel van besluit 3.



Afwijzing vergoeding proceskosten bij uitspraken 2 en 3

Bij uitspraak 2 zag de rechtbank voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding omdat van door appellant gemaakte en voor vergoeding in aanmerking komende reis- en verletkosten niet is gebleken, nu appellant niet ter zitting van de rechtbank op 1 december 2004 is verschenen. Voorts heeft de rechtbank de door de gemachtigde van appellant verleende rechtsbijstand niet aangemerkt als beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat de gemachtigde de echtgenote van appellant is en volgens vaste rechtspraak in dat geval moet worden aangenomen dat van een relatie waarbij het beroepsmatig handelen op de voorgrond staat geen sprake is. Om laatstgenoemde reden wees de rechtbank ook bij uitspraak 3 het verzoek van appellant om een proceskostenvergoeding af.

De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gezien deze overwegingen van de rechtbank rechtens voor onjuist te houden.

Al het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de uitspraken 1 en 3, voorzover aangevochten, dienen te worden bevestigd en dat ten aanzien van uitspraak 2 dient te worden beslist, zoals hierna in Rubriek III van deze uitspraak van de Raad is aangegeven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in zijn hoger beroep tegen uitspraak 2.
Deze kosten worden begroot op € 23,68 aan reiskosten in hoger beroep en zien, anders dan appellant aan reiskosten heeft gevorderd, alleen op reiskosten - op basis van openbaar vervoer (tweede klasse) - voor het bijwonen van de zitting.
Appellant komt immers om dezelfde reden als hiervoor is aangegeven ten aanzien van de afwijzing bij uitspraak 2 en 3 van de kosten van de door zijn gemachtigde verleende rechtsbijstand ook in hoger beroep niet in aanmerking voor deze kosten, voorzover die rechtsbijstand betrekking heeft op uitspraak 2. Ook de door appellant gevorderde verletkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu appellant niet heeft aangegeven waarop dit verlet betrekking heeft.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de uitspraken 1 en 3 voorzover aangevochten;
Verklaart niet-ontvankelijk het hoger beroep van appellant tegen dat onderdeel van uitspraak 2, dat betrekking heeft op besluit 3, voorzover daarbij is beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van gedaagde van 28 augustus 2003 betreffende de toeslag;
Vernietigt uitspraak 2, voorzover deze betrekking heeft op dat onderdeel van besluit 3 dat ziet op de ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 januari 2004 dat betrekking heeft op de beoordeling van de jaarstukken van appellant over 2002;
Vernietigt besluit 3 in zoverre en verklaart niet-ontvankelijk het bezwaar van appellant tegen besluit van 23 januari 2004 dat betrekking heeft op de beoordeling van evengenoemde jaarstukken;
Bevestigt uitspraak 2, voor zover aangevochten, voor het overige;
Verklaart het beroep van appellant tegen besluit 3, voorzover dit moet worden geacht mede te zijn gericht tegen besluit 5, ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 23,68, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut aan appellant het in verband met het instellen van hoger beroep tegen uitspraak 2 betaalde griffierecht van € 102,= vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x