Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AV7511
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAZ-uitkering. Overschrijding van de belastbaarheid. Geschiktheid voor de voorgehouden functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/69 WAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Door appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 november 2003, nr. WAO 02/676.

Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.

Appellant heeft - door middel van het overleggen van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts - op dit verweerschrift gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 3 januari 2006. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Gedaagde is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. P. Heijnen, advocaat te Hoorn.




II. MOTIVERING


Gedaagde was laatstelijk in het genot van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij besluit van 17 september 2001 heeft appellant de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Appellant heeft bij besluit van 6 mei 2002 (hierna: het bestreden besluit) het door gedaagde tegen het besluit van 17 september 2001 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het door gedaagde tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de in rubriek I aangehaalde uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Dit met aanvullende beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten.
De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat uit een op haar verzoek uitgebrachte rapportage van de deskundige dr. W.C.G. Blanken, revalidatiearts, van 11 juli 2003 blijkt dat gedaagde ten aanzien van werken boven schouderniveau meer is beperkt dan door appellant - op basis van het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon - is aangenomen.
Op basis van de door de deskundige uitgebrachte rapportage is de rechtbank - kort samengevat - tot het oordeel gekomen dat in de functies meteropnemer met de functienummers 4012-0093-001 en 4052-0011-001 werkzaamheden voorkomen die de belastbaarheid van gedaagde overschrijden en mitsdien voor gedaagde niet geschikt zijn.
Vervolgens heeft de rechtbank de conclusie getrokken dat als gevolg hiervan de schatting niet langer berust op drie functies met ten minste dertig arbeidsplaatsen, zodat het besluit van 17 september 2001 strijdt met artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

Het hoger beroep van appellant is - zoals ter zitting desgevraagd bevestigd - uitdrukkelijk beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de ongeschiktheid van de functie meteropnemer met het functienummer 4012-0093-001 vanwege de overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant ten aanzien van traplopen, alsmede duwen en trekken. Naar de mening van appellant is deze functie geschikt voor gedaagde en berust de schatting als gevolg hiervan wel op een voldoende aantal functies. Om redenen ontleend aan de actualiseringsdatum van de andere hiervoor vermelde functie meteropnemer, kan die functie, aldus appellant, niet langer worden gehandhaafd.

De Raad ziet geen aanleiding om zich niet tot dit punt van geschil te beperken.
De Raad overweegt het volgende.

In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen.
De deskundige heeft naar uit zijn aan de rechtbank uitgebrachte rapportage blijkt kennis genomen van het procesdossier. Mede aan de hand van eigen onderzoek heeft de deskundige zich een oordeel gevormd over de belastbaarheid van gedaagde. Voorts heeft hij ten aanzien van onder andere de thans nog in geding zijnde functie meteropnemer met het functienummer 4012-0093-001 bezien of de aan deze functie verbonden werkzaamheden de belastbaarheid van gedaagde niet overschrijden. De functie meteropnemer acht hij voor gedaagde niet geschikt “in verband met de overschrijding ten aanzien van trappenlopen en duwen en trekken”.

Appellant heeft in de aanvullende gronden van hoger beroep in wezen de redenen herhaald waarom hij de opvatting van de deskundige niet deelt. Appellant ontkent niet dat sprake is van enige overschrijding, doch naar zijn mening is de functie niettemin geschikt te achten.
De Raad is echter ook uit het verhandelde ter zitting niet kunnen blijken dat appellant zich hierbij heeft gebaseerd op andere relevante medische en arbeidskundige rapportages dan het reeds door de rechtbank beoordeelde rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 8 augustus 2003.

Uit hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd is de Raad niet kunnen blijken van de aanwezigheid van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen is in dit geval van het beginsel dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te volgen, af te wijken.

Het hoger beroep van appellant slaagt mitsdien niet. De aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient dan ook te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor als voorzitter en mr. J. Brand en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x