Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AW7395
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schatting van de WAZ-uitkering met toepassing van het CBBS. Motivering. Juistheid van het maatmaninkomen. Belastbaarheidheid. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2606 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 maart 2004, 03/651 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006. Appellant is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek.




II. OVERWEGINGEN


Appellant is in juli 1999 als zelfstandige een broodjeszaak begonnen. Hij is in november 2000 vanwege nekklachten door een verkeersongeval arbeidsongeschikt geworden.

De verzekeringsarts J.A.H. Engbers heeft met behulp van het zogenaamde claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS) de belastbaarheid van appellant beschreven.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige L. de Ponti met behulp van het CBBS functies geselecteerd. Het zogeheten maatmaninkomen van appellant is berekend door de in de loop van het kalenderjaar 1999 gemaakte winst naar een jaarinkomen te herleiden en het aldus verkregen bedrag te indexeren naar het einde van de wachttijd, 14 november 2001, en te herleiden tot een uurinkomen. De mediane uurloonwaarde, inclusief reductiefactor, van de drie hoogst beloonde geselecteerde functies levert, vergeleken met het maatmaninkomen, geen verlies aan verdiencapaciteit op.

Bij besluit van 28 oktober 2002 heeft het Uwv appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen geweigerd onder overweging dat appellant op en na 14 november 2001 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is.

In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling tijdens de hoorzitting gesproken met appellant en kennis genomen van inlichtingen die door de huisarts E. Wesseling en door de zenuwarts P.J.I.M. Berntsen zijn verstrekt.

Bij besluit van 12 februari 2003, verder: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2002 ongegrond verklaard.

Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant kunnen verenigen.
De rechtbank ziet geen tegenstelling tussen de bevindingen van de behandelend artsen en die van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.

Voorts heeft de rechtbank zich onder verwijzing naar de schriftelijke toelichting van 15 januari 2004 van de arbeidsdeskundige A.M.P.T. van Kuijk en de verzekeringsarts Engbers kunnen verenigen met het oordeel van het Uwv over de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies gelet op de voor appellant geldende belastbaarheid.

Tevens heeft de rechtbank wat betreft het arbeidskundige aspect geoordeeld dat de vaststelling van het maatmaninkomen spoort met regels die in vaste jurisprudentie van de Raad zijn neergelegd.

In hoger beroep wordt namens appellant volgehouden dat hij de geselecteerde functies op medische gronden niet kan vervullen.
Voorts is appellant het niet eens met de hiervoor vermelde wijze van vaststelling van het maatmaninkomen omdat daardoor geen representatief beeld wordt verkregen. Er zijn in hoger beroep geen stukken overgelegd die steun bieden aan het standpunt van appellant.

Wat betreft het medisch aspect van de onderhavige beoordeling kan de Raad zich volledig verenigen met hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen en geoordeeld. Ook de Raad kan niet inzien dat uit de gegevens van de behandelend artsen valt af te leiden dat appellant door ziekte of gebrek niet in staat was om op de datum in geding te werken als printmonteur, samensteller en productiemedewerker assemblage. De zenuwarts laat zich over belasting in arbeid in het geheel niet uit en de huisarts stelt dat appellant last heeft van nekpijn en daardoor niet meer voluit in zijn broodjeszaak kan meewerken. In de drie hierboven genoemde functies komt nekbelasting evenwel niet noemenswaardig voor.

Wat betreft het vastgestelde maatmaninkomen heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat die vaststelling overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Raad heeft plaatsgevonden.
In de door de rechtbank genoemde uitspraak van 17 augustus 1993, gepubliceerd in RSV 1993/298, is voor de situatie waarin appellant verkeert, iemand die in het tweede boekjaar van het bestaan van zijn onderneming arbeidsongeschikt is geworden, een rekenregel gegeven. Deze regel heeft de arbeidsdeskundige van het Uwv juist toegepast.

De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is bepaald met behulp van het CBBS. Ten aanzien van dit systeem heeft de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) overwogen dat hem niet gebleken is van redenen om het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten maar dat er, omdat dit systeem een aantal onvolkomenheden bevat, hoge eisen dienen te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende besluit ten grondslag gelegde uitgangspunten. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk daarbij aan die eisen wordt voldaan. In het geval in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep het bestreden besluit, dat voor 1 juli 2005 is genomen, alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat met de in beroep gegeven schriftelijke toelichting van 15 januari 2004 is komen vast te staan dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn.

De Raad stelt voorts vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat bij de rechtbank met genoemde schriftelijke toelichting uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op s-Raads oordeel met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten. Voorts kan ook de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x