Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AX3237
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning WAZ-uitkering. Inkomsten uit arbeid. Terugvordering. Referteperiode voor de bepaling van het maatmaninkomen. Verdeling van de bedrijfswinst.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1997 WAZ en 04/1998 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 maart 2004, 02/3301 en 03/512 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP

  
Namens appellant heeft J.C. Vogelaar, verbonden aan administratiekantoor Vogelaar te Lekkerkerk, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 juli 2004 heeft appellant een nader stuk ingezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 14 februari 2006, waar appellant niet is verschenen en waar namens het Uwv is verschenen mr. H. van Wijngaarden.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was werkzaam als zelfstandig loodgieter en installateur. Per 4 december 1998 heeft hij zich arbeidsongeschikt gemeld in verband met schouderklachten. Daarna heeft hij zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat. Bij besluit van 9 maart 2000 heeft het Uwv appellant met ingang van 3 december 1999, de datum aansluitend op de periode waarin hij gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest, een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Uit de door appellant ingezonden jaarstukken over het jaar 2000 is het Uwv gebleken dat appellant over dat jaar een winst van fl. 64.867,69 bij de fiscus heeft aangegeven. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv appellant bij besluit van 9 augustus 2001 meegedeeld dat met toepassing van artikel 58 van de WAZ de uitkering over het jaar 2000 niet tot uitbetaling komt, omdat appellant in verband met zijn inkomsten over dat jaar minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Bij besluit van 6 september 2001 heeft het Uwv de over het jaar 2000 onverschuldigd uitbetaalde uitkering ten bedrage van fl.10.269,06 teruggevorderd. Bij besluit van 19 juli 2002 (hierna: bestreden besluit I) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 augustus 2001 en 6 september 2001 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit I betreft voorts nog de handhaving van twee besluiten van respectievelijk 11 september 2001 en 13 september 2001 inzake de oplegging van een maatregel inhoudende een tijdelijke korting op de uitkering en, in het verlengde hiervan, een terugvordering van € 53,09.

Over het jaar 2001 heeft appellant een fiscale winst van fl. 59.227,77 behaald. Bij besluit van 11 juli 2002 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering over het jaar 2001 slechts gedeeltelijk tot uitbetaling komt omdat hij op basis van zijn winstcijfers over dat jaar ingedeeld wordt in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Bij besluit van 24 december 2002 (hierna: bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 juli 2002 eveneens ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen beide bestreden besluiten beroep bij de rechtbank ingesteld. Hij heeft daarbij aangevoerd dat het Uwv van een onjuist maatmaninkomen is uitgegaan. De door het Uwv in aanmerking genomen jaren 1995 tot en met 1997 zijn volgens appellant niet representatief, omdat hij in die jaren reeds gezondheidsproblemen had en omdat zijn echtgenote in het jaar 1996 plotseling is overleden, hetgeen zijn weerslag vond in het behaalde resultaat over dat jaar. Naar de mening van appellant had het Uwv een andere dag als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moeten vaststellen en het maatmaninkomen moeten baseren op de winstcijfers over de jaren 1992 tot en met 1994. Voorts heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte de arbeidsbeloning die aan wijlen zijn echtgenote over de jaren 1995 en 1996 is toegekend in mindering heeft gebracht op de bedrijfswinst over die jaren. Appellant heeft gesteld het discriminerend te vinden dat de hoogte van een uitkering van een zelfstandige ingevolge de WAZ wordt beïnvloed door de aan de echtgenote toegekende arbeidsbeloning terwijl dat bij een uitkering aan een werknemer ingevolge de WAO niet zo is.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Zij is er daarbij van uitgegaan dat tussen partijen slechts de wijze van vaststelling van het maatmanloon in geschil was. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van deze Raad heeft de rechtbank overwogen dat het maatmaninkomen van een zelfstandig ondernemer voor de gevallen waarin dat praktisch mogelijk is, steeds aan de hand van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid dient te worden berekend. Deze periode dient ertoe om de representativiteit van het maatmaninkomen van een zelfstandige, die meestal wisselende inkomsten heeft, te vergroten. Een relativering van deze periode kan aangewezen zijn indien het hanteren van deze jaren op praktische problemen stuit, maar afgezien hiervan dient binnen de grenzen van de redelijkheid aan de hoofdregel te worden vastgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door appellant gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende grond op om af te wijken van de in aanmerking te nemen referteperiode en/of van de door hem gemaakte fiscale keuzes. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel acht de rechtbank geen sprake.

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van deze uitspraak bestreden. Appellant heeft herhaald hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd en daarnaast een medische verklaring van 30 juni 2004 van zijn huisarts overgelegd.

De Raad stelt allereerst vast dat de onderdelen van het bestreden besluit I, die betrekking hebben op het opleggen van een maatregel en de daarmee samenhangende terugvordering geen deel (meer) uitmaken van het geschil tussen partijen. Tussen partijen is wel in geschil de wijze waarop het Uwv over de jaren 2000 en 2001 toepassing heeft gegeven aan artikel 58 van de WAZ en wat betreft het jaar 2000 daarmee samenhangend de terugvordering van de over dat jaar betaalde uitkering.

De Raad ziet geen aanleiding tot een ander oordeel te komen dan dat van de rechtbank. Hij onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt daaraan nog het volgende toe.

Appellant is het niet eens met de door het Uwv vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De bestreden besluiten hebben echter de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet tot onderwerp. Deze grief van appellant valt buiten de omvang van het geding en faalt om die reden.

Uitgaande van 4 december 1998 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en van het uitgangspuntbij de vaststelling van het maatmaninkomen van een zelfstandige zoals dat met juistheid door de rechtbank is weergegeven stelt de Raad vast dat er geen praktische bezwaren zijn tegen het hanteren van de jaren 1995 tot en met 1997 als referteperiode voor het maatmaninkomen van appellant. Immers, appellant heeft gedurende die jaren als zelfstandig loodgieter en installateur gewerkt.

Wat betreft de representativiteit van die periode is ook de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de in die drie jaren behaalde winst geen reële afspiegeling vormt van de verdiencapaciteit van appellant als gezonde zelfstandige. Appellant heeft niet aangetoond dat zijn fysieke beperkingen in die jaren een zodanig negatieve invloed hebben gehad op het bedrijfsresultaat dat hierdoor een evident onjuist beeld is verkregen van zijn verdiencapaciteit als gezonde zelfstandige. Dat uit de verklaring van de huisarts blijkt dat er al langer gezondheidsklachten waren die vanaf 1997 hebben geleid tot fysieke beperkingen is hiertoe onvoldoende. Het is de Raad overigens opgevallen dat de winst over het jaar 1997 (fl. 88.926,-) hoger lag dan die over het jaar 1993 (fl. 86.624,-) welk jaar door appellant wel representatief wordt geacht.

De hoofdregel dat moet worden uitgegaan van drie volledige boekjaren voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden stoelt mede op de gedachte dat hiermee ook de invloed van zogenoemde life events wordt gematigd. Tegen deze achtergrond bezien kan het plotselinge overlijden van de echtgenote van appellant in september 1996 niet leiden tot het geheel buiten beschouwing laten van dat jaar.

Met betrekking tot hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent het niet betrekken bij de winst over 1995 en 1996 van de arbeidsbeloning voor zijn echtgenote overweegt de Raad het volgende. Daargelaten of de post “Lonen” in de verlies- en winstrekeningen van deze beide boekjaren uitsluitend betrekking heeft op een arbeidsbeloning voor de echtgenote dan wel mede, zoals in het jaar 1994, op loon betaald aan uitzendkrachten, kan de Raad er niet aan voorbij zien dat appellant deze posten ten laste van de bedrijfswinst heeft gebracht. Het gaat hier om een door appellant gemaakte fiscale keuze, waaraan ingevolge vaste rechtspraak een bijzondere betekenis wordt gehecht en waarvan niet dan in zeer bijzondere gevallen kan worden afgeweken. Van een dergelijk bijzonder geval is hier geen sprake. Zoals de Raad ook reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 28 januari 2000, LJN ZB8924, is in het gegeven dat een zelfstandige en een werknemer in loondienst fiscale posities innemen die hun doorwerking kunnen hebben bij de vaststelling van het maatmaninkomen geen grond gelegen voor het oordeel dat de vaststelling van appellants maatmaninkomen zich niet verdraagt met het gelijkheidsbeginsel.

Tegen de terugvordering van de teveel betaalde uitkering over het jaar 2000 zijn geen afzonderlijke grieven ingebracht en de Raad is ook niet gebleken –binnen de grenzen van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht– dat deze bij het bestreden besluit ten onrechte is gehandhaafd.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, zij het met een correctie ten aanzien van het te beoordelen punt van geschil, dient te worden gehandhaafd.

De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. Schoor als voorzitter en mr. M.C. Bruning en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2006.

(get.) W.J. Schoor.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x