Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AX3991
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De melding van het Arbeidsbureau aan de uitvoeringsinstelling van de rechtsvoorganger van het UWV kan niet gezien worden als een aanvraag. Mate arbeidsongeschiktheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2795 WAZ en 04/2966 WAZ




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 15 april 2004, 03/446 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 16 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Zowel betrokkene als het Uwv hebben hoger beroep laten instellen.

Namens het Uwv is ook een verweerschrift inzake het hoger beroep van betrokkene ingezonden.

Het onderzoek ter zitting van de Raad heeft plaatsgevonden op 4 april 2006. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L. van Zon. Betrokkene en zijn gemachtigde mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv een rapportage overgelegd van de bezwaararbeidsdeskundige C.W.M. Limbeek van 3 april 2006.




II. OVERWEGINGEN


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene heeft in de periode van 1976 tot en met november 1989 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen in verband met psychische klachten. Deze uitkering is bij besluit van 1 december 1989 ingetrokken omdat betrokkene in staat was duurzaam inkomsten te verwerven als directeur van zijn eigen installatie- en detacheringsbedrijf. Na het faillissement van dit bedrijf in 1998 heeft betrokkene zich op 2 november 1998 als werkzoekende laten inschrijven bij het Arbeidsbureau. Naar aanleiding van de van betrokkene verkregen gegevens heeft het Arbeidsbureau een uitvoeringsinstelling van de rechtsvoorganger van het Uwv, Gak Nederland B.V., verzocht om een reďntegratievisie en een verwoording belastbaarheid alsmede om na te gaan of betrokkene was aan te merken als arbeidsgehandicapte. Hiertoe is betrokkene in januari 1999 onderzocht door een verzekeringsarts, die in het licht van dit verzoek een belastbaarheidspatroon heeft opgesteld. Voorts heeft een arbeidsdeskundige in februari 1999 zijn visie gegeven op de reďntegratiekansen van betrokkene.

Bij brief van 27 mei 2002 heeft betrokkene aan het Uwv mededeling gedaan van een toegenomen mate van arbeidsongeschiktheid. In zijn brief heeft betrokkene erop gewezen dat hij in januari 1999 al arbeidsongeschikt werd beschouwd. Voorts heeft hij aangegeven dat op 29 maart 2002 bij hem diabetes type 2 is geconstateerd die het gevolg zou kunnen zijn van overmatige stress. Door middel van een aanvraagformulier arbeidsongeschiktheidsuitkering, gedateerd 13 juli 2002 en ontvangen door het Uwv op 6 augustus 2002, heeft betrokkene verzocht om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). In zijn aanvraagformulier heeft betrokkene als eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid vermeld 2 november 1998.
De verzekeringsarts J. de Lange heeft in zijn rapportage van 19 september 2002 aangegeven dat er bij betrokkene sprake is van psychische problematiek, waardoor betrokkene is aangewezen op werkzaamheden die energetisch en psychisch sparend zijn. Ten behoeve van de belastbaarheid heeft De Lange een functionele mogelijkheden lijst opgesteld (FML). Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige H. Wisse met behulp van het Claimbeoordelings- en borgingssyteem drie SBC-codes geselecteerd en vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen 28,6% betrof, hetgeen neerkwam op een arbeidsongeschiktheidklasse van 25 tot 35%.

Bij besluit van 22 november 2002 is betrokkene meegedeeld dat het Uwv van mening is dat betrokkene op 1 maart 1997 arbeidsongeschikt is geworden en dat hij op 27 februari 1998 gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Aangezien de wet bepaalt dat de uitkering niet eerder kan ingaan dan 1 jaar voor de datum aanvraag en betrokkene op 6 augustus 2002 een WAZ-uitkering heeft aangevraagd is hem per 6 augustus 2001 een WAZ-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is per die datum vastgesteld op 25 tot 35%.

Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar zag de bezwaarverzekeringsarts K. Kok, zoals hij in zijn rapportage van 21 februari 2003/8 mei 2003 aangaf, geen aanleiding af te wijken van het medische oordeel van de primaire verzekeringsarts. Wel blijkt uit zijn rapportage dat hij van mening was dat als datum van vermeerderde arbeidsongeschiktheid in plaats van 6 augustus 2002, de datum van de toegenomen arbeidsongeschiktheidsclaim in de brief van 27 mei 2002 diende te worden aangemerkt. De stelling van betrokkene dat hij reeds door middel van de melding van het Arbeidsbureau te Goes in december 1998 een aanvraag voor een WAZ-uitkering zou hebben gedaan wees de bezwaarverzekeringsarts van de hand. Zijns inziens was er in 1998 slechts sprake van een verzoek om een arbeidshandicapbeoordeling/reďntegratievisie.

Hierop heeft het Uwv, de visie volgend van de bezwaarverzekeringsarts Kok, bij het bestreden besluit van 3 juni 2003 zijn standpunt gehandhaafd voor wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid, maar de ingangsdatum van de uitkering van betrokkene bepaald op 27 mei 2001.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd. Voorts heeft zij bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De rechtbank zag enerzijds geen aanleiding om de juistheid van de vastgestelde beperkingen te betwijfelen en had in de stukken geen aanknopingspunten gevonden voor de onjuistheid van de bevindingen van de arbeidsdeskundige. In zoverre achtte de rechtbank het beroep ongegrond. Anderzijds was de rechtbank met betrekking tot de ingangsdatum van de WAZ-uitkering van oordeel dat uit het onderzoek dat het Uwv had verricht naar aanleiding van de vraag of betrokkene aangemerkt diende te worden als arbeidsgehandicapte, geenszins bleek dat daarbij niet ook de vraag aan de orde kon komen of betrokkene al of niet arbeidsongeschikt was. Naar het oordeel van de rechtbank diende de melding door het arbeidsbureau niet louter als een melding arbeidsgehandicapte doch tevens als een aanvraag voor een WAZ-uitkering te worden aangemerkt. Het Uwv had volgens de rechtbank bij de vaststelling van de ingangsdatum ten onrechte niet in ogenschouw genomen of er in het geval van betrokkene sprake was van een bijzonder geval als bedoel in artikel 36, tweede lid, van de WAZ.

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld omdat het zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de melding door het arbeidsbureau tevens als een aanvraag om een WAZ-uitkering moet worden aangemerkt. Naar het Uwv stelt kan deze melding niet anders gezien kan worden dan als een consultaanvraag met het verzoek om een arbeidshandicapbeoordeling en reďntegratievisie. Van een formele WAZ-aanvraag in 1998 is volgens het Uwv niet gebleken.
Daarnaast stelt het Uwv zich op het standpunt dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ.

Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid ongegrond is. Betrokkene acht zich volledig arbeidsongeschikt. De geduide functies acht betrokkene niet passend. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij niet aan de gestelde opleidingsvereisten voldoet aangezien hij geheel andere opleidingen heeft gehad dan die welke de functies vereisen.

Met betrekking tot de ingangsdatum van de WAZ-uitkering overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WAZ wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag toegekend. Artikel 36, eerste lid, van de WAZ bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op de dag, met ingang waarvan de verzekerde aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Het tweede lid bepaalt dat in afwijking van het eerste lid de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning van de uitkering werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin van het tweede lid afwijken.

Anders dan de rechtbank en met het Uwv is de Raad van oordeel dat de melding van het Arbeidsbureau aan de uitvoeringsinstelling van de rechtsvoorganger van het Uwv niet gezien kan worden als een aanvraag als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WAZ. De stukken in het dossier geven voldoende duidelijk aan dat de in januari en februari 1999 verrichte geneeskundige en arbeidskundige onderzoeken in het teken hebben gestaan van arbeids(re)integratie en de beantwoording van de vraag of betrokkene is aan te merken als arbeidsgehandicapte. Daarbij merkt de Raad op dat bij de beoordeling arbeidshandicap onder meer op grond van medisch en arbeidskundig onderzoek wordt vastgesteld of er sprake is van belemmeringen voor het verrichten van arbeid in verband met ziekte of gebrek. Voorzover betrokkene meent dat de bewoordingen van de brieven van de rechtsvoorganger van het Uwv en de door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige gehanteerde vraagstelling bij hem de indruk hebben gewekt dat er sprake was van een oordeel over zijn arbeidsongeschiktheid, wijst de Raad erop dat de bezwaarverzekeringsarts Kok zich in zijn rapportage terecht heeft afgevraagd waarom betrokkene zich nooit tot het Uwv heeft gewend toen een beslissing omtrent het toekennen van een WAZ-uitkering uitbleef.
Het Uwv heeft derhalve terecht aangenomen dat er eerst op 27 mei 2002 sprake was van een aanvraag voor een WAZ-uitkering.

De vraag of het Uwv terecht de uitkering niet vroeger heeft laten ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning is gedaan beantwoordt de Raad bevestigend. Van een bijzonder geval in de zin van het tweede lid van artikel 36 van de WAZ is de Raad namelijk niet gebleken. Daartoe overweegt de Raad dat volgens zijn vaste jurisprudentie van een bijzonder geval in voornoemde zin moet worden gesproken indien de betrokken verzekerde ter zake van een verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet geacht kan worden in verzuim geweest te zijn. Dit zal onder meer het geval zijn wanneer de verzekerde buiten staat was of in de onmogelijkheid verkeerde eerder een aanvraag in te dienen.
In de onderhavige zaak zijn geen gegevens voorhanden op grond waarvan moet worden aangenomen dat betrokkene op grond van zijn beperkingen fysiek en of psychisch niet in staat is geweest een eerdere aanvraag te doen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van het Uwv slaagt.

Ten aanzien van de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid op juiste wijze heeft vastgesteld op een mate van 25 tot 35% overweegt de Raad het volgende.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de stukken geen aanleiding geven voor het oordeel dat de beperkingen van betrokkene niet juist zijn vastgesteld. De verzekeringsarts De Lange heeft een uitgebreide anamnese afgenomen. Zowel de De Lange als de bezwaarverzekeringsarts Kok beschikten voor hun onderzoek over alle stukken waaronder ook die uit de jaren 1998 en 1999. Uit die laatstgenoemde stukken blijkt dat betrokkene in die jaren op gelijksoortige gronden energetisch en psychisch beperkt werd geacht.

De arbeidsdeskundige Wisse heeft drie SBC-codes geselecteerd, te weten, SBC-code 315170 telefonist, SBC-code 111230 bezorger leesportefeuille en SBC-code 111333 medewerker huishoudelijke dienst. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige P. Blom in zijn rapportage van 1 juli 2005 per SBC-code aangegeven op welke aspecten in relatie tot de geduide functies eventuele over-schrijdingen in de belastbaarheid zich voordoen en waarom hij van oordeel is dat betrokkene met zijn beperkingen toch in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. Voorts blijkt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards van 27 januari 2006 dat de geselecteerde functies ten tijde van de datum in geding in voldoende mate op de arbeidsmarkt voorkwamen.
De grief van betrokkene dat de functies niet passend zijn omdat hij niet aan de opleidingseisen voldoet, treft naar het oordeel van de Raad geen doel. De bezwaararbeidsdeskundige P. Blom heeft in zijn rapportages van 1 september 2003 en 6 juli 2004 voldoende aangegeven dat betrokkene aan de gestelde eisen voldoet. Zo is gebleken dat voor de geselecteerde functie SBC-code 315170 telefonist geen mavo-diploma, maar mavo-niveau is vereist. Voor de twee overige functies is als opleidingseis gesteld een VBO diploma respectievelijk VBO niveau. Gelet op de door betrokkene genoten vooropleiding, LTS, de vervolgopleidingen op het gebied van boekhouding en automatisering alsmede de ervaring die hij in zijn werk heeft opgedaan, kan betrokkene geacht worden over zodanige kennis te beschikken dat deze met mavo-niveau, dan wel - reeds in verband met zijn vooropleiding - met een VBO diploma en/of VBO niveau kan worden gelijkgesteld.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv aangegeven dat ten aanzien van de mate van arbeidsongeschiktheid het Uwv het standpunt zoals neergelegd in het bestreden besluit niet handhaaft.
Naar de gemachtigde heeft aangegeven is uit nader onderzoek door de arbeidsdeskundige Limbeek, zoals blijkt uit de ter zitting overgelegde rapportage van 3 april 2006, naar voren gekomen dat zich een aantal onjuistheden hebben voorgedaan bij het vaststellen van het maatmaninkomen en de restverdiencapaciteit.
Een nieuwe berekening van zowel het maatmaninkomen als de restverdiencapaciteit heeft er in geresulteerd dat er een indeling in een andere -hogere- arbeidsongeschiktheidsklasse dient plaats te vinden.

Al het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en derhalve genomen is in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit brengt mee dat het bestreden besluit, alsmede (trouwens) ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
De Raad zal het Uwv opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad wijst het Uwv erop dat uitgangpunt voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid de functies dienen te zijn zoals deze zijn geselecteerd per 27 mei 2001, de datum in geding, en dat aan de hand van deze functies en het naar deze datum geďndexeerde maatmaninkomen de restverdiencapaciteit dient te worden vastgesteld. De Raad verwijst in verband hiermee naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Wijngaard van 27 januari 2006.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x