Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY2636
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De intrekking van de WAZ-uitkering berust op onvoldoende gronden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/404 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 december 2002, 01/909 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2005. Voor appellante is verschenen mr. Visser, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2006. Voor appellante is verschenen mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dieters.




II. OVERWEGINGEN


Appellante exploiteerde een dierenspeciaalzaak toen zij op 3 september 1999 uitviel met een acute hernia, waarna zij een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) indiende. Het Uwv heeft bij besluit van 7 december 2000 geweigerd appellante een WAZ-uitkering toe te kennen onder de overweging dat appellante na de wachttijd van 52 weken per 2 september 2000 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Aan dit besluit lag de overweging ten grondslag dat appellante niet meer in staat was haar eigen werk te verrichten, maar nog wel gangbare arbeid, waarmee zij 84,9% van haar maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 december 2000 heeft het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 10 september 2001 (het bestreden besluit).

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat zij het niet eens is met de overwegingen en de conclusie van de rechtbank dat de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Appellante heeft vervolgens een op 20 november 2003 door de psychiater D.W. Oppedijk opgesteld rapport in geding gebracht.

De Raad heeft hierin aanleiding gevonden prof.dr. R.J. van den Bosch, psychiater te Groningen, opdracht te geven appellante te onderzoeken. Van den Bosch heeft in een rapport van 22 maart 2005 van zijn bevindingen verslag gedaan en antwoord gegeven op door de Raad gestelde vragen.
De Raad heeft na de behandeling ter zitting van 17 augustus 2005 het vooronderzoek heropend en het Uwv vragen gesteld over de aan de schatting ten grondslag liggende functies die in wisselende diensten worden uitgeoefend.

De Raad overweegt ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit als volgt.

Van den Bosch heeft in zijn rapport aangegeven dat appellante naar zijn oordeel, gestuurd door reacties vanuit haar persoonlijkheidsstructuur, verzand is geraakt in een rancuneuze verbeten strijd met instanties, die haar zodanig emotioneel belastte dat zij daardoor haar werk in de winkel niet meer adequaat kon volhouden. Daarbij verloor zij de steun van haar broer, terwijl haar echtgenoot evenmin opvang bood en de winkel alleen maar drukker werd. Appellante beleefde volgens Van den Bosch de oplopende spanningen primair als een lichamelijke aandoening, hetgeen volgens hem geheel past bij de door hem gestelde diagnose somatoforme stoornis. Van den Bosch zag wel een neiging tot een licht depressieve stemming, maar die gaf geen aanleiding tot een aanvullende diagnose. Van den Bosch heeft de massale beleving van onvermogen door appellante niet kunnen herleiden tot objectieve psychische beperkingen.

De Raad heeft geen aanleiding gevonden om in dit geval af te wijken van zijn standaard jurisprudentie dat in beginsel het advies van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. Hierbij is van belang dat Van den Bosch geen ander psychiatrisch beeld heeft gezien dan Oppedijk. Naar het oordeel van de Raad is wel sprake van een verschil waar het gaat om de inschatting van de belastbaarheid van appellante, maar moet met de bezwaarverzekeringsarts N. Visser worden geconcludeerd dat de inschatting van de belastbaarheid van appellante door Oppedijk onvoldoende is onderbouwd.

Ten aanzien van de fysieke belastbaarheid van appellante overweegt de Raad het volgende.
De verzekeringsarts A.M. Korenhof heeft bij het opstellen van het Formulier Functie Informatie Systeem VA/AD aangenomen dat appellante fors beperkt is ten aanzien van rug- en nekbelasting. In de bezwaarfase is informatie ingebracht van diverse behandelend artsen. De bezwaarverzekeringsarts Visser heeft deze informatie bestudeerd en in zijn rapport van 14 augustus 2001gemotiveerd waarom deze informatie hem geen aanleiding geeft meer beperkingen aan te nemen dan de verzekeringsarts heeft gedaan. Visser heeft tevens gemotiveerd waarom hij niet overtuigd is geraakt van de noodzaak van een urenbeperking.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit berust op een medisch onderzoek waarbij alle van belang zijnde informatie afkomstig van de behandelend sector is meegewogen. De Raad acht de door de bezwaarverzekeringsarts gegeven motivering uitvoerig en overtuigend. Mede gelet op het feit dat appellante in beroep en in hoger beroep geen nadere medische informatie in geding heeft gebracht die een ander licht zou kunnen werpen op de fysieke mogelijkheden van appellante, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende.

Appellante heeft in hoger beroep de overwegingen van de rechtbank bestreden dat het bestreden besluit op een juiste arbeidskundige grondslag berust. Zij heeft haar in beroep ingebrachte grieven in hoger beroep gehandhaafd en stelt zich op het standpunt dat zij voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid geen 60 maar 48 uur heeft gewerkt, dat de fictieve loonwaarde van haar echtgenoot te hoog is ingeschat en met 20% dient te worden verminderd en dat de winst gecorrigeerd dient te worden door bijtelling van de vermogens- en investeringsaftrek. Mede onder verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 21 september 2004 overweegt de Raad dat wijziging van het aantal gewerkte uren van 60 naar 48 nauwelijks effect heeft op de mate van arbeidsongeschiktheid. Het maatmaninkomen stijgt weliswaar, maar dit wordt gecompenseerd omdat de reductiefactor ook wordt verhoogd. Een correctie van 20% op de fictieve loonwaarde van de echtgenoot heeft in combinatie met een verlaging van het aantal door appellante gewerkte uren geen enkel effect. Bij de toerekening van het inkomen aan appellante is uitgegaan van 60 gewerkte uren door appellante en 10 gewerkte uren door de echtgenoot. Dit levert een factor 60/70 op. Indien wordt uitgegaan van 48 uur voor appellante en 8 uur voor de echtgenoot, wordt de factor 48/56. De factor 60/70 is identiek aan de factor 48/56, namelijk 6/7. De Raad overweegt voorts dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige in beginsel steeds uitgangspunt is de door de fiscus aanvaarde nettowinst, zodat het Uwv op goede gronden geen aanleiding heeft gezien bij de berekening van het maatmaninkomen de winst te corrigeren door bijtelling van de vermogens- en investeringsaftrek.

De door appellante naar voren gebrachte grieven slagen niet. De Raad heeft ambtshalve beoordeeld of gelet op het feit dat verschillende van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in wisselende diensten worden vervuld, die functies wel aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd. Aan de schatting zijn vijf functies in drie fb-codes ten grondslag gelegd, te weten in fb-code 5897 de functie parkeercontroleur met zes arbeidsplaatsen en de functie parkeercontroleur met een arbeidsplaats, in fb-code 3318 de functie informant/kaartverkoper met zes arbeidsplaatsen en de functie informant/kaartverkoper met drie arbeidsplaatsen en in fb-code 8539 de functie monteur transformatoren met 20 arbeidsplaatsen. Daarnaast is nog geselecteerd de fb-code 4722 waarin de functie verkooptelefonist met tien arbeidsplaatsen voorkomt. De functies in fb-code 5897 en in fb-code 3318 zijn functies met wisselende diensten. Ter zitting van 17 augustus 2005 heeft de gemachtigde van het Uwv aangegeven dat de functie parkeercontroleur met zes arbeidsplaatsen een toeslag voor wisselende diensten kent, maar de functie parkeercontroleur met een arbeidsplaats niet. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is het vooronderzoek heropend en heeft een aan het Uwv verbonden arbeidsdeskundige in een rapport van 2 november 2005 aangegeven dat de functies in fb-code 3318 eveneens een toeslag kennen voor onregelmatige diensten. Hij heeft voorts aangegeven dat op basis van het door hem verrichte onderzoek gebleken is dat de schatting zoals door het primaire team is vastgesteld, de enige mogelijkheid is om voldoende fb-codes en voldoende arbeidsplaatsen te verkrijgen. Artikel 9, aanhef en sub g van het geldende Schattingsbesluit staat volgens hem toe dat in een dergelijke situatie van het voor betrokkene gangbare arbeidspatroon en bijbehorende inkomenscomponenten wordt afgeweken.

Op een vraag van de Raad om de stelling nader te onderbouwen dat van het totale functieaanbod conform de recapitulatie voorselectie slechts twee functies zonder toeslag voor afwijkende arbeidstijden resteren, heeft het Uwv bij brief van 17 maart 2006 het volgende geantwoord.

“Heden is met bezwaararbeidsdeskundige dhr. H. Coerts het FIS geraadpleegd teneinde voor u beter in kaart te brengen waarom bepaalde FB-codes destijds al dan niet terecht niet passend zijn geacht.

Wij tekenen hierbij aan dat deze raadpleging zich wat ons betreft vooralsnog “beperkt” tot die vanuit FIS geraadpleegde FB-codes die leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15 % resp. 15-25 % waarbij de recapitulatie voorselectie d.d. 15 februari 2006 is gehanteerd zodat het per saldo gaat om 20 resp. 29 FB-codes.

Door deze klassen van arbeidsongeschiktheid (<15 % en 15-25 %) te hanteren wordt ons inziens bereikt dat de u aan te leveren hoeveelheid papier beheersbaar is terwijl wordt voorkomen dat u veel materiaal wordt toegezonden waarvan de inhoud in essentie overeenkomt met de u thans toegezonden informatie; veelal betreft het namelijk FB-codes die ook in de u toegezonden informatie voorkomen maar dan in een parttime variant met als resultaat een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.

Voor wat betreft de beantwoording van uw vraag zou het indienen van informatie betreffende die parttime varianten dan ook weinig toevoegen.

Raadpleging van het FIS heeft gemaakt dat de volgende nadere informatie beschikbaar is:

A. recapitulatie en arbeidsmogelijkhedenlijst 17 maart 2006 <15%;
B. recapitulatie en arbeidsmogelijkhedenlijst 17 maart 2006 15-25%.

Beide arbeidsmogelijkhedenlijsten zijn voorzien van korte aantekeningen waarom de FB-code niet passend is; in essentie betreft het de vermelding dat diploma-eis niet akkoord is nu eiseres niet het vereiste diploma heeft danwel dat op bepaald aspect de belastbaarheid van eiseres niet correspondeert met op dat aspect in de functie voorkomende belasting (asterix).

Ook komt het voor dat van een bepaalde FB-code te weinig arbeidsplaatsen resteren.

De conclusie van ons beiden is dat van de thans aan u gepresenteerde FB-codes met recht is geconcludeerd dat uitsluitend de FB-codes, genoemd in het ad-rapport d.d. 13 oktober 2000 passend te achten zijn.”

Artikel 9, aanhef en onder a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307, hierna: Schattingsbesluit) bepaalde ten tijde in dit geding van belang dat bij het berekenen van de resterende verdiencapaciteit in aanmerking wordt genomen algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen, nader omschreven als drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies, die tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Op grond van artikel 9, aanhef en onder f (oud) van het Schattingsbesluit blijven functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden buiten beschouwing, tenzij deze toeslagen wel zijn meegenomen bij het vaststellen van het maatmaninkomen. Artikel 9, aanhef en onder g (oud) van het Schattingsbesluit bepaalt dat onderdeel f buiten toepassing blijft, indien minder dan drie functies als bedoeld in onderdeel a in aanmerking kunnen worden genomen.

De Raad stelt vast dat in de twee arbeidsmogelijkhedenlijsten diverse functies voorkomen, waarbij een korte aantekening is gemaakt dat sprake is van overschrijding op een of meer aspecten. Deze enkele aantekening is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om aan te nemen dat de functies niet aan de schatting ten grondslag gelegd kunnen worden. Dit betekent dat het Uwv er niet in is geslaagd om aan te tonen dat slechts twee functies zonder toeslag voor afwijkende arbeidstijden resteren, zodat de schatting die gebaseerd is op twee functies met een dergelijke toeslag en een van de twee functies zonder zo’n toeslag, op onvoldoende gronden berust. Het bestreden besluit komt vanwege strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 1.585,76 (16 uur ŕ € 99,11) voor het door Oppedijk uitgebrachte rapport, derhalve in totaal op € 3.034,76.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uwv in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 3.034,76, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 109,23 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.). A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x