Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

  
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY3766
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering. Arbeidskundige grondslag.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/5125 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 september 2003, 02/1147 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juli 2006.





I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft L. Noy, vrijwillig consulent sociale zekerheid te Stein, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Voor appellante is verschenen Noy, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Lagerweij.




II. OVERWEGINGEN


Appellante, werkzaam als zelfstandig exploitante van een friture/snackbar, heeft in april 2001 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), omdat zij sedert augustus 2000 arbeidsongeschikt zou zijn. Een verzekeringsarts heeft haar gezien op zijn spreekuur van 17 augustus 2001 en geconcludeerd dat bij appellante sprake was van beperkingen tot het verrichten van arbeid als gevolg van been/rugklachten rechts en schouderklachten rechts. Hij heeft een belastbaarheidsprofiel opgesteld en na ontvangst van informatie van de behandelend neuroloog gesteld dat deze informatie zijn conclusie bevestigt. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens zeven functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit op nihil berekend aan de hand van het mediane loon van de drie hoogst verlonende functies. Bij besluit van 16 november 2001 heeft het Uwv geweigerd appellante een WAZ-uitkering toe te kennen onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid na afloop van de wachttijd van 52 weken minder dan 25% bedraagt.

In de bezwaarfase heeft een bezwaarverzekeringsarts het belastbaarheidsprofiel op de aspecten staan en lopen aangescherpt. De primaire verzekeringsarts, die op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts alsnog een oordeel heeft gegeven over de geschiktheid van de functies, heeft drie functies laten vervallen, waarmee de bezwaarverzekeringsarts zich kon verenigen. Het Uwv heeft bij besluit van 18 juli 2002 (het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 november 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante gewezen op de miscommunicatie binnen het Uwv, onder andere tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige in de primaire fase, en op het feit dat appellante niet begrijpt waarom zij nog steeds niet bij de verzekeringsarts is opgeroepen voor een herkeuring. Hij stelt zich verder op het standpunt dat ten onrechte tijdens de hoorzitting geen keuring is uitgevoerd en beroept zich op het gegeven dat Interpolis een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 50% uitkeert.

Het Uwv heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de oorspronkelijke arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit gebreken vertoont, in die zin dat functies zijn geselecteerd, waarvan niet vast staat dat ze op de datum in geding ook voorkwamen en dat functies zijn geselecteerd met een afwijkend arbeidspatroon (wisselende diensten met een toeslag voor het werken op afwijkende uren), terwijl daarvan in de maatgevende arbeid geen sprake is. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens opnieuw functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 3,3%. Volgens het Uwv bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding nog steeds minder dan 25% en heeft appellante geen recht op een WAZ-uitkering.

De Raad overweegt als volgt.

In de eerste plaats merkt de Raad op dat slechts ter beoordeling kan staan de inhoud en de wijze van totstandkoming van het bestreden besluit. Aan de grieven van appellante die betrekking hebben op een nieuwe oproep voor een herkeuring of op de miscommunicatie voorzover die geen betrekking heeft op de totstandkoming van het bestreden besluit gaat de Raad voorbij.

Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit. De verzekeringsarts heeft eigen onderzoek verricht en informatie ingewonnen bij de behandelend neuroloog. De bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en de hoorzitting bijgewoond, maar geen lichamelijk onderzoek verricht. Onder de gegeven omstandigheden kan het achterwege blijven van een lichamelijk onderzoek niet onzorgvuldig worden genoemd. De medische situatie van appellante was duidelijk en appellante heeft niet aangegeven dat ten opzichte van de eerdere beoordeling door de primaire verzekeringsarts sprake was van een verslechtering van haar medische situatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts naar het oordeel van de Raad adequaat gereageerd op de medische informatie die appellante in de beroepsfase heeft ingebracht en in die informatie terecht geen aanleiding gezien voor het aannemen van meer beperkingen.

In hoger beroep heeft het Uwv onderkend dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit gebreken vertoont. De Raad stelt vast dat van de aanvankelijk zeven geselecteerde functies, drie functies zijn vervallen vanwege overschrijding van de belastbaarheid. Van de overgebleven vier functies is een functie geactualiseerd na de datum in geding, terwijl in een andere functie sprake is van wisselende diensten met een toeslag voor afwijkende arbeidstijden. Twee functies vormen een te smalle basis voor een schatting, zodat het bestreden besluit op een ontoereikende arbeidskundige grondslag berust. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307) en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Gelet op het standpunt van het Uwv dat nieuw arbeidskundig onderzoek heeft laten zien dat de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding nog steeds minder dan 25% bedraagt, zal de Raad beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft negen functies geselecteerd en aan de schatting ten grondslag gelegd de functies bankbediende (Fb-code 3396), archiefemployé (Fb-code 3953) en receptionist (Fb-code 3941). De bezwaarverzekeringsarts heeft de in de belasting van deze functies voorkomende asterisken besproken en geconcludeerd dat deze functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaan. De Raad heeft twijfel over de functie van archiefemployé, gelet op de belasting op het punt staan waar sprake is van een aanzienlijke overschrijding, maar stelt tegelijkertijd vast dat bij het vervallen van deze functie voldoende functies resteren die qua belasting passend zijn en die geen aanleiding geven voor toekenning van een WAZ-uitkering.

De Raad is niet gebleken van andere onvolkomenheden bij de nadere onderbouwing van de arbeidskundige grondslag, zodat de vraag of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten positief wordt beantwoord. De Raad merkt hierbij tevens op dat de grief over het achterwege blijven van overleg tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige in de primaire fase geen bespreking meer behoeft en dat voor de toekenning van een WAZ-uitkering geen argumenten kunnen worden ontleend aan het uitkeren van een arbeidsongeschiktheidsuitkering door een verzekeringsmaatschappij.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x