Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY5376
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Omzetting van de AAW-uitkering naar een WAZ-uitkering. Juistheid van de vastgestelde beperkingen.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2452 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2004, 03/2344 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Herten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2006.
Appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. H.J.A. Aerts, kantoorgenoot van mr. Delescen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.L.J. Weltevrede.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 8 november 2001 heeft het Uwv appellante bericht dat haar uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 1 januari 1998 wordt aangepast, omdat appellante per die datum geen inkomsten uit arbeid meer heeft, en wordt omgezet in een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, eveneens berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%; voorts vindt met ingang van die datum geen verrekening van inkomsten uit arbeid meer plaats.

Bij besluit van 30 juni 2003 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 november 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen geen reden te zien de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de aan appellante voorgehouden functies telefoniste/receptioniste, monteur koffiezetter en medewerker schoonmaak de schatting kunnen dragen; het verrichten van deze arbeid brengt voor appellante een verlies aan verdiencapaciteit met zich van 59%, zodat haar een uitkering toekomt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Appellante heeft zich in bezwaar, beroep en hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij volledig arbeidsongeschikt is. In hoger beroep heeft zij ter ondersteuning van haar standpunt bij brief van 1 november 2005 een rapport overgelegd van een onderzoek dat op 22 juli 2004 is verricht door dr. H.L.S.M. Busard, zenuwarts.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad nog het volgende.

In zijn uitvoerige rapport komt zenuwarts Busard tot de conclusie dat appellante lijdt aan fibromyalgie in combinatie met een posttraumatische stressstoornis. Hij acht appellante niet in staat om werk aan te gaan.
De bezwaarverzekeringsarts heeft op 28 november 2005 op dit rapport gereageerd en daarbij aangegeven dat het rapport en de vraagstelling geen betrekking hebben op de datum in geding, zijnde 1 januari 1998, maar op de situatie in juli 2004, meer dan zes jaar later.
De Raad kan zich vinden in dit commentaar van de bezwaarverzekeringsarts. In het rapport van Busard is aangegeven dat appellante al meerdere jaren klachten heeft en dat de beperkingen geleidelijk aan ontstaan zijn; uit het rapport kan evenwel niet worden afgeleid dat appellante op 1 januari 1998 in die mate beperkingen had dat zij toen in het geheel geen arbeid had kunnen verrichten. De Raad overweegt voorts dat de verzekeringsarts appellante gezien en gesproken heeft op 9 december 1997 en onderzocht heeft op 23 februari 1998, derhalve rond de datum in geding. De verzekeringsarts heeft bij zijn oordeel de informatie van de huisarts van 25 januari 1998 betrokken; daarin is ook informatie van de reumatoloog en internist beschreven. Voorts is informatie van het instituut voor ecologische gezondheidszorg van 25 maart 1998 bij de beoordeling betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft nogmaals informatie bij de huisarts opgevraagd. De huisarts geeft in zijn brief van 23 mei 2003 aan dat in juli 2001 door de internist is vermeld dat het beeld van appellante past bij chronische vermoeidheid met fibromyalgie en dat de cardioloog in augustus 2001 concludeert tot nerveuze sinustachycardie; coronair insufficiŽntie was niet aantoonbaar.
De bezwaarverzekeringsarts heeft deze informatie betrokken bij zijn opvatting. Uit deze informatie blijkt niet dat appellante op 1 januari 1998 meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x