Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY6031
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%; betrokkene wordt in staat geacht functies als bode/bezorger, medisch laborant, secretaresse en bestelautochauffeur te vervullen. Meent betrokkene terecht dat zij niet gedurende vier uur per dag en 20 uur per week kan werken? Is de medische en arbeidskundige grondslag juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2416 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 april 2004, 03/565 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

Datum uitspraak: 8 augustus 2006




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.J. van Velzen, advocaat te Alkmaar, een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft appellant op 24 mei 2005 een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans van 19 mei 2005 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Ritsma. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.




II. OVERWEGINGEN


De gang van zaken, voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit van 6 augustus 2002 en voorzover hier van belang, is in de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder en betrokkene als eiseres zijn aangeduid, met juistheid als volgt weergegeven:

“Eiseres was laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster in een vennootschap onder firma van haar en haar toenmalige echtgenoot. Op 9 juni 1998 heeft zij haar werkzaamheden gestaakt als gevolg van fysieke klachten.
Met ingang van 28 juni 1999 is aan eiseres een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en onder toepassing van artikel 58 van de WAZ uitbetaald als ware zij 35 tot 45% arbeidsongeschikt.
In verband met de (eerstejaarsher)beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid is eiseres op 11 februari 2002 onderzocht door verweerders verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) en een Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: KFML) opgesteld waarin de mogelijkheden en beperkingen van eiseres ten aanzien van het verrichten van arbeid zijn opgenomen. Op basis van de door de verzekeringsarts opgestelde FML en KFML heeft verweerders arbeidsdeskundige de arbeidsmogelijkheden van eiseres onderzocht en hiervan op 20 maart 2002 rapport uitgebracht.”

Appellant heeft bij besluit van 6 augustus 2002 de WAZ-uitkering van betrokkene met ingang van 10 juni 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het tegen dit besluit namens betrokkene gemaakte bezwaar is door appellant bij zijn besluit van 28 maart 2003 ongegrond verklaard. Dit laatste besluit van appellant berust op de opvatting dat betrokkene met inachtneming van de door de verzekeringsarts opgestelde FML en KFML in staat is gedurende 20 uur per week arbeid te verrichten, dat door de arbeidsdeskundige aan betrokkene voorgehouden functies aan dat belastbaarheidspatroon voldoen en dat de vergelijking van het voor betrokkene geldende maatmanloon enerzijds en het loon dat betrokkene in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen anderzijds, met ingang van 10 juni 2002 resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van 48,03%. Betrokkene wordt in staat geacht functies als bodebezorger, medisch laborant, secretaresse en bestelautochauffeur te vervullen, aldus appellant.

In beroep heeft betrokkene onder andere aangegeven dat zij voortdurende klachten heeft van pijn in de nek, schouders, rug, armen en handen en voorts last heeft van concentratiestoornissen, duizeligheid en vermoeidheid. Voorts meent betrokkene dat zij niet gedurende 4 uur per dag en 20 uur per week kan werken. Verder heeft appellant, aldus betrokkene, ten onrechte geen informatie bij de behandelend sector ingewonnen. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting heeft betrokkene aangevoerd dat de geduide functies haar belastbaarheid te boven gaan en dat zij geheel arbeidsongeschikt moet worden geacht.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 28 maart 2003 (hierna: het bestreden besluit) vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit was genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In haar uitspraak, waarin - als hiervoor vermeld - appellant als verweerder en betrokkene als eiseres zijn aangeduid, heeft de rechtbank wat betreft de medische component van het bestreden besluit overwogen als volgt:

“Verweerders besluit is wat betreft de medische component gebaseerd op de door de verzekeringsarts op 12 februari 2002 opgestelde FML. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 11 februari 2002 geconcludeerd dat er sprake is van rechtstreeks door ziekte en/of gebrek veroorzaakte en te objectiveren beperkingen van de belastbaarheid. De resterende belastbaarheid met betrekking tot het kunnen verrichten van arbeid is nader uitgewerkt in de FML, waarin beperkingen zijn vervat ten aanzien van de rubrieken aanpassingen aan de fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houding en werktijden. Ten aanzien van de psychische beperkingen heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de door eiseres geduide concentratiestoornissen niet kunnen worden geobjectiveerd. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage aangegeven dat geen informatie is ingewonnen bij de behandelend sector.
In de bezwaarfase is alsnog informatie ingewonnen bij de acupuncturist en de revalidatiearts waarbij eiseres onder behandeling is.
De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 5 december 2002 geconcludeerd dat niet gesproken kan worden van disfunctioneren op het persoonlijke en het sociale vlak. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de primaire verzekeringsarts aanmerkelijke beperkingen heeft gesteld aan de belastbaarheid van eiseres en er tevens rekening is gehouden met een urenbeperking. De gestelde beperkingen komen volgens de bezwaarverzekeringsarts dan ook in voldoende mate tegemoet aan de objectiveerbare medische toestand van eiseres. Er bestaat volgens hem derhalve geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de inschatting van de belastbaarheid zoals weergegeven in de FML van 12 februari 2002.”

En

“De rechtbank stelt voorop dat er geen informatie is ingewonnen bij een psycholoog. Voorts staat vast dat eiseres in 1998 betrokken is geweest bij een auto ongeval, waarna zij in 1998 is uitgevallen met een whiplash trauma. In 1999 en in 2000 is eiseres wederom betrokken geweest bij een auto ongeval, waarna haar lichamelijke klachten zijn verergerd. In 1999 is eiseres gezien door een psycholoog in verband met het omgaan met deze klachten. Evenmin is tussen partijen in geschil dat eiseres later, vanaf 2000, binnen het multidisciplinair team van het Jan van Breemen Instituut te Amsterdam is behandeld door een psycholoog in verband met concentratiestoornissen, slaapstoornissen en emotionele instabiliteit. Op dat moment is de ergo- en de fysiotherapie stopgezet. Het revalidatieproces zou weer worden vervolgd zodra er sprake zou zijn van meer stabiliteit bij eiseres. De psychische klachten die eiseres op dat moment ondervond hielden onder meer verband met de relationele problemen die zij had, welke hebben geleid tot een echtscheiding in 2002, de traumatische jeugdervaringen van eiseres en de medische en psychische problemen van haar dochter. Vaststaat derhalve dat eiseres vanaf 2000 doorlopend onder psychologische behandeling is geweest, ook ten tijde van het onderzoek van eiseres door de verzekeringsarts in februari 2002.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat zich juist in deze periode feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die doen vermoeden dat er sprake is van een situatie bij eiseres die heeft geleid tot meer beperkingen op het gebied van het functioneren op het persoonlijke en het sociale vlak. Gelet hierop had verweerder naar het oordeel van de rechtbank informatie dienen op te vragen bij de behandelend psycholoog van eiseres.
Blijkbaar achtte verweerder dat wel noodzakelijk na de hoorzitting van 6 maart 2003 en dus vóór het nemen van het bestreden besluit op 26 maart 2003. Naar aanleiding van hetgeen naar voren is gekomen op deze hoorzitting is eiseres immers onderzocht door zenuwarts C.J.F. Kemperman en klinisch neuropsycholoog C.H.J. Hoogstraten. Op grond van hun bevindingen, neergelegd in het rapport van 4 juli 2003, is eiseres vervolgens per 12 mei 2003 volledig arbeidsongeschikt verklaard, waarbij in de FML van 21 november 2003 beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren. In dit onderzoek is echter niet gevraagd naar de situatie van eiseres ten tijde datum in geding, terwijl de rechtbank - anders dan verweerder - van oordeel is dat er geen aanleiding is voor de veronderstelling dat de situatie toen anders was dan op 12 mei 2003. Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden blijkt immers dat er al vanaf 2000, maar juist ook in 2002, sprake is van een verslechtering van de situatie van eiseres.”

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank vastgesteld dat zich in het dossier geen motivering bevindt ten aanzien van de geschiktheid van de geduide functies in relatie tot de zogeheten niet-matchende punten in de FML.

In hoger beroep heeft appellant gewezen op de overgelegde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest van 25 februari en 21 april 2004, welk laatste rapport volgens appellant door de rechtbank niet meer is beoordeeld omdat het binnen de termijn van 10 dagen voor de zitting op 27 februari 2004 bij de rechtbank is binnengekomen. In het eerstgenoemde rapport, waarnaar in het laatstgenoemde rapport wordt verwezen, is vermeld dat betrokkene blijkens het rapport van de bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 5 december 2003 (lees: 2002) op het spreekuur van 18 november 2002 heeft aangegeven dat de psychologische interventie halverwege 2002 in overleg met haar is afgebroken omdat er sprake leek te zijn van een eindsituatie. Voorts gaf Van Geest aan dat eerst in maart 2003 sprake was van een terugval bij betrokkene. Verder bestond er volgens Van Geest geen indicatie om bij het onderzoek door de verzekeringsarts in februari 2002 informatie in te winnen bij de betrokkene toen behandelend psycholoog omdat zij deze vier maal per jaar bezocht en goed in staat bleek haar verhaal te doen.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wees appellant op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw van 28 april 2004, waarin is gesteld dat een afzonderlijke matching van de aspecten “dominantie: rechts” en “lokalisatie beperkingen: tweezijdig, armen” niet nodig is omdat het algemene opmerkingen betreft.

In het verweerschrift heeft de gemachtigde van betrokkene aangevoerd dat betrokkene - zoals zij ook tijdens de hoorzitting en in eerste aanleg al had aangegeven - steeds, derhalve ook in juni 2002, onder behandeling was van de psycholoog M. Klaver, verbonden aan het Jan van Breemen Instituut, en de maatschappelijk werkster mevrouw Van der Lee. Ten bewijze van de behandeling bij Klaver heeft de gemachtigde van betrokkene afsprakenkaartjes overgelegd inzake een viertal afspraken met Klaver in juni, juli en augustus 2002. Onder verwijzing naar de expertise van Kemperman heeft de gemachtigde van betrokkene voorts gesteld dat er geen aanleiding is een onderscheid te maken in de gezondheidstoestand van betrokkene in juni 2002 en mei 2003.

De Raad stelt vast dat vanwege appellant aan Kemperman blijkens de in zijn rapport opgenomen vraagstelling onder andere de vraag is voorgelegd of door hem geduide beperkingen vaststelbaar zijn met terugwerkende kracht vanaf een eerdere datum dan de datum van het ongeval. Volgens Kemperman in de beantwoording van deze vraag op bladzijde 30 en 31 van zijn rapport functioneerde betrokkene tot het eerste ongeval in 1998 normaal en stapelde de problemen zich daarna op. Naar het oordeel van de Raad staat in dit geding, daargelaten de vraag of geoordeeld zou moeten worden dat appellant in de vraagstelling aan Kemperman tevens de datum bij het bestreden besluit aan de orde had moeten betrekken en met het nemen van het bestreden besluit had moeten wachten op het rapport van Kemperman, in elk geval vast dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke feitelijke grondslag berust. In hoger beroep is immers met het overleggen van de hiervoor vermelde afsprakenkaartjes genoegzaam komen vast te staan dat betrokkene, anders dan Offermans in zijn rapport van 5 december 2002 veronderstelde op basis van informatie van de revalidatiearts van het Jan van Breemen Instituut, in de zomer van 2002 wel degelijk in behandeling was bij de psycholoog Klaver. Dit gegeven ondersteunt niet, althans niet zonder nader onderzoek, het standpunt van appellant dat de gezondheidstoestand van betrokkene op 12 mei 2003, vanaf welke datum betrokkene door appellant op basis van het rapport van Kemperman volledig arbeidsongeschikt werd geacht, wezenlijk verschilde van die toestand op de in geding zijnde datum.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad, voorzover in het licht van het vorenstaande nog van belang, dat, wat ook zij van het gestelde in het rapport van De Zeeuw van 28 april 2004, er in elk geval niet aan kan worden voorbijgezien dat eerst in hoger beroep in het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van Havermans, naast een nadere toelichting op de zogeheten matchende items, ook een toelichting is verstrekt op het niet-matchende item “5.9 Afwisseling van houding”. De vaststelling in de aangevallen uitspraak dat een dergelijke toelichting in het bij haar voorliggende dossier ontbreekt, is derhalve op zichzelf juist en schraagt in het licht van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716 t/m 4722) derhalve terecht mede de uitgesproken vernietiging van het bestreden besluit.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van - mede - deze uitspraak van de Raad. Dit houdt derhalve onder andere in dat appellant een nadere vraagstelling doet aan Kemperman, welke specifiek ziet op de datum thans in geding.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden, gelet op het verhandelde ter zitting, begroot op uitsluitend € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voorzover, afgaande op het ter zitting overgelegde “formulier proceskosten” kosten van een aan betrokkene in eerste aanleg uitgebracht verslag van een deskundige en treinkosten in eerste aanleg zijn gevorderd, komen deze reeds niet voor vergoeding in aanmerking omdat betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij aan haar reeds op de voet van evenvermeld artikel een vergoeding van de in eerste aanleg gemaakte proceskosten is toegekend.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van - mede - deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x