Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY6034
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de eerder naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% berekende WAZ-uitkering, omdat betrokkene met ingang van de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Hangende het hoger beroep wordt bij wijzigingsbesluit de mate van arbeidsongeschiktheid op 25 tot 35% vastgesteld. Berust het wijzigingsbesluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag? Toewijzing van renteschadevergoeding en vergoeding van de kosten voor deskundigenrapporten.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1809 WAZ en 06/3087 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 maart 2004, 02/1545 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft W.H. Beishuizen, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
  
Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv op 27 januari 2006 een gewijzigde beslissing op bezwaar van eveneens 27 januari 2006 overgelegd. Hierop heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 27 maart 2006 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006. Appellant en zijn gemachtigde zijn - met kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was werkzaam als zelfstandig aardbeienkweker voor 60 uur per week toen hij 22 februari 2000 uitviel met knieklachten rechts. Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv aan appellant met ingang van 20 februari 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant is vervolgens in het kader van de zogeheten eerstejaars herbeoordeling op 19 december 2001 onderzocht door de verzekeringsarts L. Andriessen. Blijkens het rapport van dit onderzoek van dezelfde datum had appellant minder last van de knie omdat hij er meer rekening mee hield. Andriessen achtte appellant geschikt voor kniesparend werk, hetgeen werd uitgewerkt in het belastbaarheidsprofiel van 15 januari 2002. Aan de hand hiervan en op basis van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 15 januari 2002 selecteerde de arbeidsdeskundige D.C. Bieshaar blijkens het rapport van 29 januari 2002 een aantal functies en berekende hij, uitgaande van de middelste van de drie hoogst verlonende functies, het verlies aan verdienvermogen op 19,83%. Vervolgens nam het Uwv het primaire besluit van 6 maart 2002 waarbij de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 7 mei 2002 werd ingetrokken.

In de bezwaarprocedure heeft de gemachtigde van appellant aangegeven dat de vastgestelde belasting op onder andere het onderdeel zitten te zwaar is omdat appellant vanwege zijn artrose regelmatig moet kunnen afwisselen en vertreden en dat knielen, kruipen en hurken niet mogelijk is, waardoor een aantal van de geduide functies niet kunnen worden uitgevoerd en de mate van arbeidsongeschiktheid onjuist is vastgesteld.

De bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus heeft in zijn rapport van 3 juni 2002 uiteengezet waarom naar zijn inschatting de uit de knieaandoening van appellant voortvloeiende beperkingen in voldoende mate zijn neergelegd in het door Andriessen opgestelde belastbaarheidspatroon. Daarna verklaarde het Uwv bij zijn besluit van 12 juni 2002 (hierna: besluit 1) het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond.

In beroep heeft de gemachtigde van appellant de in bezwaar voorgedragen argumenten herhaald en ter onderbouwing daarvan het rapport van de chirurg K.H. Harmsma van 8 augustus 2002 overgelegd. Volgens Harmsma heeft appellant een ernstige knieaandoening, is op redelijk korte termijn waarschijnlijk een totale knieprothese nodig, is bij artrose langdurig zitten uit den boze, moet regelmatig vertreden kunnen worden en is knielen, kruipen en hurken niet mogelijk.

In reactie op het beroep gaf Slebus in zijn rapport van 26 november 2002 aan dat zijns inziens in de geduide functies voldoende kan worden vertreden en dat appellant ter hoorzitting had aangegeven dat hij nog dingen van de grond kon rapen. Uit dit laatste leidde Slebus af dat incidenteel grondbereik wel mogelijk is en dat in de geduide functies niet meer dan dat wordt vereist.

Vervolgens heeft de gemachtigde van appellant op 25 maart 2003 informatie van de orthopedisch chirurg H.P. Hu van 24 februari 2003 overgelegd. Hu gaf aan dat bij zijn onderzoek op 11 november 2002 de knieklachten waren verergerd en dat er op de röntgenfoto een duidelijke mediale compartimentsarthrose viel waar te nemen welke licht was toegenomen ten opzichte van februari 2000. Slebus zag hierin op 31 maart 2003 geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen.

De rechtbank heeft vervolgens de orthopedisch chirurg dr. M.A.P. Kooijman benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. In zijn rapport van 28 augustus 2003 concludeerde Kooijman dat bij appellant sprake was van een evidente mediale gonarthrosis van de rechter knie. Kooijman kon zich verenigen met het door Andriessen opgestelde belastbaarheidspatroon. Daarbij gaf Kooijman enerzijds aan dat de door appellant gestelde absolute onmogelijkheid van knielen, kruipen en hurken kan worden overwogen, anderzijds dat zulks natuurlijk discutabel is. Ten aanzien van het zitten stelde Kooijman dat regelmatig de knie even wat gestrekt moet worden en dat even wat gelopen moet worden.

In reactie hierop heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat de nodige afwisseling in zitten, staan en lopen in de geduide functies ontbreekt, terwijl volgens Slebus en de bezwaararbeidsdeskundige G.C. van Welzenis in de geduide functies geen gedwongen zithouding is vereist en voldoende kan worden vertreden.

De rechtbank oordeelde dat er, gelet op de rapporten van Andriessen en Slebus, alsmede op het rapport van de deskundige Kooijman geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant per 7 mei 2002 vastgestelde belastbaarheid. De omstandigheid dat inmiddels op 5 januari 2004 bij appellant een volledige knieprothese is verricht, leidde de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu deze operatie ruim na de datum in geding plaatsvond. De rechtbank achtte appellant tot het vervullen van de geduide functies in staat.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de eerder voorgedragen argumenten in essentie herhaald en heeft het Uwv in reactie hierop onder andere het rapport van Van Welzenis van 14 april 2004 overgelegd, waarin hij nogmaals gemotiveerd heeft aangegeven dat in de geduide functies voldoende afwisseling in zitten, staan en lopen, alsmede in werkhouding mogelijk is.

De gemachtigde van appellant heeft voorts een rapport van P.A.L. Blokzeijl van 7 januari 2005 overgelegd, die zich - samengevat weergegeven - wel kon verenigen met de vastgestelde zitbelasting, maar niet met staan en lopen een half uur aaneengesloten, voorzover dit vrijwel de gehele werkdag betreft, en een volledige beperking ten aanzien van knielen, kruipen en hurken aanwezig achtte. Blokzeijl achtte in verband hiermede de geduide functies met uitzondering van de functie operator centrale brugbediening niet geschikt.
In reactie hierop gaf Slebus in zijn rapport van 1 februari 2005 aan dat het rapport van Blokzeijl niet volledig is omdat appellant met zijn aangedane knieën zijn werk nog gedeeltelijk verrichte, waarbij Slebus met name kniebelastend kruien vermeldde, en de kniebelasting in de geduide kniesparende functies stukken minder was dan in het eigen werk van appellant. Blokzeijl stelde hier in zijn rapport van 10 februari 2005 tegenover dat hier niet de anamnese maar de bevindingen bij het onderzoek moeten worden gevolgd.

Vervolgens heeft het Uwv zijn gewijzigde beslissing op bezwaar van 27 januari 2006 (hierna: besluit 2) in geding gebracht. Besluit 2 houdt in dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 7 mei 2002 ongewijzigd uitkomt op 25 tot 35%. Aan besluit 2 ligt ten grondslag het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige T.E.A. de Groot van 11 januari 2006, die aangaf dat in verband met wisselende diensten en onvoldoende actualiteit een aantal functies diende te vervallen, dat de functies afwerker kunststof, samensteller metaal en kunststofbewerker (FB-codes 9017, 8463 en 9019) overblijven en dat met inachtneming van een reductiefactor van 0,63 het verlies aan verdiencapaciteit uitkomt op 25,1%.

De Raad overweegt als volgt.

Bij besluit 2 heeft het Uwv in feite besluit 1 ingetrokken. Met het Uwv en de gemachtigde van appellant stelt de Raad vast dat met besluit 2 niet geheel aan het beroep van appellant tegen besluit 1 is tegemoet gekomen. Dit beroep wordt derhalve ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Uit het vorenoverwogene volgt in het licht van de vaste jurisprudentie van de Raad ter zake dat in het onderhavige geval het belang van appellant bij een beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 1 in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van schadevergoeding.

Namens appellant is in hoger beroep verzocht om vergoeding van de wettelijke rente, zodat het procesbelang als hiervoor bedoeld niet is komen te vervallen.

Nu vaststaat dat bij besluit 1 de WAZ-uitkering van appellant ten onrechte met ingang van 7 mei 2002 is ingetrokken, zal de Raad besluit 1 wegens strijd met artikel 2 van de WAZ, alsmede de aangevallen uitspraak vernietigen.

Vervolgens moet de Raad de vraag beantwoorden of besluit 2 in rechte stand kan houden.

De Raad heeft geen aanleiding gezien de medische grondslag van besluit 2 voor onjuist te houden. In dit verband verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen ten aanzien van de medische grondslag van besluit 1. Weliswaar heeft Blokzeijl in zijn rapport van 7 januari 2005 gesteld dat knielen, kruipen en hurken op de datum in geding in het geheel niet mogelijk was. De Raad overweegt dat een absolute onmogelijkheid om te knielen, kruipen en hurken niet door de deskundige Kooijman is vastgesteld en wijst in dit verband tevens op hetgeen Slebus bij herhaling heeft opgemerkt ten aanzien van de feitelijke belasting op dit onderdeel in het eigen werk van appellant, voorzover hij dat op de datum in geding nog verrichtte. Gelet op een en ander ziet de Raad geen aanleiding om in dit geval van het advies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige af te wijken. De Raad is voorts van oordeel dat de vraag of de door Kooiman geaccordeerde belasting ten aanzien van staan en lopen dan wel de door Blokzeijl geplaatste kanttekening ten aanzien van die belasting gedurende vrijwel de gehele werkdag moet worden aangehouden, in het midden kan worden gelaten, nu de belasting op staan en lopen in de aan besluit 2 ten grondslag gelegde functies verre ten achter blijft bij hetgeen Blokzeijl ter zake nog aanvaarbaar acht. Met betrekking tot de belasting ten aanzien van zitten merkt de Raad nog op dat Blokzeijl zich aansluit bij de vaststelling van Kooijman, dat zitten natuurlijk goed mogelijk is, en in zoverre niet de hiervoor vermelde visie van Harmsma ten aanzien van het zitten herhaalt.

Nu de Raad in het licht van artikel 8:69 van de Awb ook overigens geen aanleiding heeft de arbeidskundige grondslag van besluit 2 rechtens voor onjuist te houden, dient het mede tegen besluit 2 gericht geachte beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Tevens komen de aan de gemachtigde van appellant in hoger beroep uitgebrachte rapporten van Blokzeijl van 7 januari en 10 februari 2005 voor vergoeding in aanmerking, zij het wat betreft de bij het rapport van 7 januari 2005 gevoegde nota alleen de daarin opgegeven 5 uur volgens het vaste tarief van - ten tijde van het doen van dit onderzoek - € 81,23 per uur, derhalve € 406,15. De in deze nota vermelde secretariële ondersteuning komt volgens vaste jurisprudentie van de Raad namelijk niet voor vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot de nota van 10 februari 2005 ziet de Raad aanleiding de vergoeding, uitgaande van 1 uur tijdsbeslag, te beperken tot € 81,23. De proceskostenvergoeding bedraagt derhalve in totaal € 1.292,38.

Voorts overweegt de Raad dat uit het vorenstaande volgt dat het Uwv nalatig is gebleven uitkering te betalen over de periode van 7 mei 2002 tot en met 27 januari 2006.
Uit 's Raads uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314, volgt dat de eerste dag waarop het Uwv in casu over het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd is, gesteld moet worden op 1 juni 2002, alsook dat deze rente verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening toe. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Al het vorenstaande leidt de Raad tot de in rubriek III van deze uitspraak nader aangegeven beslissing.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt besluit 1;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2 ongegrond;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.292,38, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x