Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY7185
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAZ-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Een wezenlijk onderdeel van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is niet verricht door een (verzekerings)arts, hetgeen in strijd is met de toepasselijke regelgeving.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1254 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 21 januari 2004, 03/554 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft N. Benedictus, werkzaam bij de Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie (ANGO), hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 25 augustus 2005 en 22 juni 2006 heeft de gemachtigde van appellante nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft bij schrijven van 21 oktober 2005 en 28 juni 2006 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door A.K. Wildeboer, werkzaam bij ANGO. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. T.M. Snippe.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 26 september 2002 heeft het Uwv appellantes uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, per 24 november 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van 25-35%.

Bij besluit van 8 mei 2003 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 september 2002 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 31 december 2003 heeft het Uwv het besluit van 8 mei 2003 gewijzigd door daarbij te bepalen dat aan appellante per 24 november 2002 een WAZ-uitkering wordt toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45.

De rechtbank Assen heeft het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 8 mei 2003 mede gericht geacht tegen het besluit van 31 december 2003 (hierna: het bestreden besluit).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 mei 2003 gegrond verklaard en het deel van dat besluit waarbij aan appellante een uitkering naar de klasse 25-35% is toegekend, vernietigd. Het beroep is voor het overige (dus ook wat het besluit van 31 december 2003 betreft) ongegrond verklaard. Tevens zijn er bepalingen opgenomen omtrent proceskosten en griffierecht.

Het hoger beroep richt zich tegen het deel van de aangevallen uitspraak waarin bepaald is dat het besluit van 31 december 2003 in stand gelaten wordt. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij zowel lichamelijke als psychische klachten heeft en dat er met die klachten onvoldoende rekening is gehouden. Zij vindt het onbegrijpelijk dat haar arbeidsongeschiktheidspercentage is afgenomen terwijl haar klachten gelijk zijn gebleven.

Het Uwv heeft gesteld zich te kunnen vinden in de aangevallen uitspraak. Met de klachten van appellante is in voldoende mate rekening gehouden en ondanks haar beperkingen is ze in staat gangbaar werk te verrichten. Appellante heeft een verlies aan verdiencapaciteit van 35,4%.

De Raad overweegt als volgt.

Op 2 mei 2002 is appellante gezien door medewerker verzekeringsarts W. Bos, die een rapport van gelijke datum heeft opgesteld. Verzekeringsarts R.K.P. Kalbfleisch heeft dat rapport voor akkoord geparafeerd. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient het uit te voeren verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitsluitend plaats te vinden door een verzekeringsarts. De Raad heeft in die jurisprudentie eveneens overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat de regelgever het ook mogelijk heeft willen maken dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, al dan niet vanwege of mede vanwege die verzekeringsarts en al dan niet onder verantwoordelijkheid van die arts, geheel of ten dele door een andere functionaris wordt verricht. De Raad ziet geen ruimte voor de zienswijze dat onder omstandigheden dat onderzoek ook (ten dele) door een niet-arts wordt verricht.
Ter zitting is namens het Uwv (op eigen initiatief) naar voren gebracht dat uit het door Bos opgestelde rapport blijkt dat appellante is onderzocht door Kalbfleisch zelf, immers, in dat rapport wordt melding gemaakt van enkele door Kalbfleisch zelf uit door hem verricht onderzoek van appellante getrokken conclusies.
Ter zitting van de Raad heeft appellante desgevraagd verklaard dat de anamnese is afgenomen door Bos, dat, toen deze daarmee klaar was, Kalbfleisch erbij is gekomen en dat Kalbfleisch haar vervolgens lichamelijk heeft onderzocht.

De Raad overweegt dat het lichamelijk onderzoek weliswaar is verricht door een verzekeringsarts, maar dat de daaraan voorafgaande anamnese buiten aanwezigheid van een verzekeringsarts is afgenomen door een niet-verzekeringsarts. Dit betekent dat een wezenlijk onderdeel van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet is verricht door een (verzekerings)arts, hetgeen in strijd is met de toepasselijke regelgeving. Te dien aanzien wijst de Raad op zijn uitspraak van 15 november 2005, LJN AU6280. Aangezien wat dit wezenlijke deel van het onderzoek in de primaire fase betreft in de bezwaarfase geen herstel heeft plaatsgevonden (de bezwaarverzekeringsarts heeft appellante niet zelf gezien en gesproken) kan niet worden staande gehouden dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag ligt.

Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover deze is aangevochten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot 644,-- (indienen hoger beroepschrift en verschijnen ter zitting) en 35,10 (reiskosten) in totaal derhalve 679,10.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot 679,10, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van 87,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x