Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY7201
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-uitbetaling van de WAZ-uitkering op grond van artikel 58 van de WAZ wegens inkomsten uit arbeid. Terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering over de periode in geding. Er is geen sprake van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door betrokkene. Over eenzelfde periode voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ een andere maatman hanteren dan die wordt gehanteerd voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van artikel 2 van de WAZ is niet toegestaan.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1988 WAZ en 04/1989 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 maart 2004, 03/1111 en 03/1112 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop, verbonden aan DAS rechtsbijstand kantoor ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2006, waar voor appellant zijn gemachtigde is verschenen, en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs, werkzaam bij het Uwv.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, zelfstandig agrariër, ontving sedert 9 december 1998 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Naar aanleiding van een melding van appellant op 12 juni 2002 van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft onder meer een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden waarbij het maatmaninkomen van appellant, dat voorheen werd berekend met gebruikmaking van zogenaamde LEI-cijfers, opnieuw is vastgesteld met gebruikmaking van de CBS-index-totaal. Dit heeft tot een aanzienlijk lager maatmaninkomen geleid. Bij besluit van 27 november 2002 is de uitkering van appellant met ingang van 27 januari 2003 ingetrokken, omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij besluit van 29 april 2003 heeft het Uwv het bezwaar van appellant hiertegen ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van de in oktober 2002 van appellant ontvangen inkomenscijfers over het jaar 2001 heeft de arbeidsdeskundige M.M.M.M. Janssen blijkens zijn rapport van 24 januari 2003 het maatmaninkomen opnieuw berekend met behulp van CBS-indexcijfers en dit vergeleken met de bedrijfswinst van appellant, waarna hij tot de conclusie is gekomen dat appellant op basis van deze winst in theorie minder dan 25% arbeidsongeschikt geacht zou moeten worden, zodat aanleiding bestond tot anticumulatie van de inkomsten uit arbeid over 2001 met toepassing van artikel 58 van de WAZ.

Bij besluit van 29 augustus 2003 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv gehandhaafd zijn eerdere besluit van 9 mei 2003, waarbij aan appellant is medegedeeld dat zijn WAZ-uitkering over het jaar 2001 met toepassing van artikel 58 van de WAZ niet tot uitbetaling komt.

Bij besluit van 23 mei 2003 heeft het Uwv de gehele over het jaar 2001 uitbetaalde netto uitkering en de aan de Belastingdienst afgedragen loonheffing ten bedrage van in totaal € 5.878,07 van appellant teruggevorderd. Na bezwaar van appellant heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd bij afzonderlijk besluit van eveneens 29 augustus 2003 (hierna: bestreden besluit 2).
Appellant heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep bij de rechtbank ingesteld, waarbij hij onder andere heeft aangevoerd dat het Uwv met deze handelwijze met terugwerkende kracht ten nadele van appellant terugkomt op het in 1999 vastgestelde maatmaninkomen. Dit is niet alleen in strijd met het eigen beleid van het Uwv, neergelegd in de circulaire "Aangepast beleid maatmaninkomen zelfstandigen" met als subtitel "Overgang van LEI-index naar CBS-index" van 12 oktober 2001, maar ook met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het verbod van willekeur.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat van strijd met het beleid geen sprake is. Blijkens het beleid dat in de circulaire is neergelegd wordt bij de beoordeling van de toepassing van artikel 58 van de WAZ uitgegaan van het laatst vastgestelde maatmaninkomen. In dit geval is het laatst vastgestelde maatmaninkomen het inkomen zoals dat in het kader van de toenameclaim van appellant in november 2002 is vastgesteld. Het Uwv is verder van mening dat van de door appellant gestelde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen sprake is.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de beroepen van appellant ongegrond verklaard. Zij heeft het standpunt van het Uwv onderschreven en voorts overwogen dat het maatmaninkomen van appellant in november 2002 is herberekend in het kader van een toenameclaim. Zij acht het noch in strijd met eerdergenoemde circulaire noch met beginselen van behoorlijk bestuur dat het Uwv het nieuwe maatmaninkomen heeft gebruikt bij de in januari 2003 uitgevoerde toetsing van de anticumulatie over het jaar 2001. In dit verband heeft de rechtbank onder meer overwogen dat anticumulatie bij zelfstandigen immer plaatsvindt na afloop van het betreffende jaar en dat bij anticumulatie nooit vaststaat tot welk bedrag de WAZ-uitkering wordt teruggebracht.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant zijn in beroep aangevoerde argumenten herhaald. Daar heeft hij aan toegevoegd dat het in strijd met het systeem van de WAZ en de jurisprudentie is om over eenzelfde periode voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ een andere maatman te hanteren dan die wordt gehanteerd voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van artikel 2 van de WAZ. Ter zitting van de Raad heeft hij dit nader onderbouwd als volgt:
"Wat ik hier (…) nog wel wil benadrukken is de complementaire werking van de artikelen 2 en 58 WAZ. Waar artikel 2 ziet op een definitieve schatting (…) ziet artikel 58 op het eventueel niet uitbetalen van de vastgestelde uitkering indien de inkomsten daartoe aanleiding geven. Hierbij wordt niet de mate van arbeidsongeschiktheid herzien, maar wordt een deel van de uitkering eventueel niet uitbetaald.
Onderdeel van de op grond van artikel 2 vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid is de maatman. Indien dan aan deze vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid wordt getoetst hoe de inkomsten zich verhouden met deze arbeidsongeschiktheid, is het inherent aan de toepassing van artikel 58 dat daarbij rekening wordt gehouden met de maatman zoals deze geldt voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid gedurende de periode waarover de toetsing plaatsvindt."

De Raad kan zich met dit betoog geheel verenigen. Daaraan voegt hij nog het volgende toe. Artikel 58 van de WAZ vindt toepassing in die gevallen, waarin nog niet kan worden overgegaan tot een verlaging of een intrekking van de WAZ-uitkering en de door een uitkeringsgerechtigde gegenereerde inkomsten zoveel groter zijn dan de bij de schatting aangenomen resterende verdiencapaciteit dat zij de klasse-indeling overschrijden. Ook hieruit volgt dat de gerealiseerde inkomsten over een bepaalde periode moeten worden vergeleken met het over diezelfde periode vastgestelde arbeidsongeschiktheidpercentage.

Zoals de Raad voorts al meermalen heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 2 februari 2005 (LJN AS5617), is het in het algemeen in strijd te achten met het rechtszekerheidsbeginsel om aan de toepassing van artikel 58 van de WAZ terugwerkende kracht te verbinden. Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien de betrokkene redelijkerwijs geacht kan worden kennis te dragen van het feit dat de inkomsten van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald dan wel indien het ongewijzigd voortzetten van de uitkering (mede) het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door betrokkene. Van dit laatste is in het onderhavige geval geen sprake geweest. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen mag van een in zijn eigen bedrijf doorwerkende zelfstandige die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt worden verwacht dat hij er rekening mee houdt dat het bedrijfsresultaat over een bepaald jaar van invloed kan zijn op het bedrag aan uitkering waarop hij, achteraf bezien, recht heeft. Het is in het onderhavige geval echter niet het achteraf gebleken bedrijfsresultaat geweest dat heeft geleid tot volledige anticumulatie maar een van de zijde van het Uwv gevolgde andere berekeningswijze van het maatmanloon in het kader van een claim van appellant van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Deze andere berekeningswijze heeft overigens geleid tot de ter zitting eveneens behandelde hoger beroepen van appellant en het Uwv in de zaken 03/6387 WAZ en 03/6447 WAZ inzake besluitvorming van het Uwv omtrent intrekking van de WAZ-uitkering met ingang van 27 januari 2003. Op die hoger beroepen heeft de Raad bij afzonderlijke uitspraak van heden beslist. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden volgehouden dat appellant daarmee redelijkerwijs rekening had moeten houden. De wijze waarop het Uwv de anticumulatie over het jaar 2001 heeft toegepast is daarom in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Anders dan van de zijde van het Uwv is betoogd ziet de Raad ten slotte niet dat de circulaire van 12 oktober 2001 de door het Uwv gevolgde handelwijze zou voorschrijven. De Raad wijst op het gestelde onder punt 2, tweede aandachtsteken bezien in onderlinge samenhang met punt 6, vierde aandachtsteken van de circulaire.

Nu uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit 1 omtrent de toepassing van artikel 58 van de WAZ over het jaar 2001 niet in stand kan blijven ontvalt ook de basis aan het bestreden besluit 2 waarbij de over dat jaar uitbetaalde uitkering is teruggevorderd.
Dit leidt de Raad tot de conclusie dat de bestreden besluiten 1 en 2, alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij de tegen bedoelde besluiten ingestelde beroepen ongegrond zijn verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen.

Appellant heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan zijn kant.
Nu de bestreden besluiten worden vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en het Uwv nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe de nieuwe besluiten zullen gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van nieuwe besluiten op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van het Uwv in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond en vernietigt die besluiten;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,- , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J. Brand en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x